Geen problematisch tegenstrijdig belang


Art 2:256 BW

De Hoge Raad heeft wederom een uitspraak gedaan over tegenstrijdig belang bij een bv.

X was enig aandeelhouder en (indirect) bestuurder van bv-X. Die bv raakt in de problemen en X stelt Y aan als nieuwe bestuurder van bv-X om hem een reorganisatie te laten uitvoeren. Tevens is in een raamovereenkomst overeengekomen dat bv-Y, zijnde de bv van Y, aan bv-X een financiering zou verschaffen en tot zekerheid van de terugbetaling bv-X onder meer een hypotheekrecht zal moeten worden gevestigd ten behoeve van bv-Y. De raamovereenkomst wordt ook voor akkoord getekend door X, die formeel geen bestuurder is maar wel enig aandeelhouder van bv-X.

Vervolgens wordt bij notariële hypotheekakte de betreffende hypotheek gevestigd. Bij die akte wordt bv-X vertegenwoordigd door Y die immers tot bestuurder is benoemd. Later gaat bv-X toch failliet. De curator van bv-X stelt dat bv-X niet rechtsgeldig vertegenwoordigd is omdat een aandeelhoudersbesluit als bedoeld in art. 2:256 BW (ook wel ‘tegenstrijdig-belang besluit’ genoemd ontbreekt en de statuten stellen dat bij een tegenstrijdig belang bv-X moet worden vertegenwoordigd door een door de AVA aangewezen persoon. De Hoge Raad oordeelde dat vaststaat dat X uitdrukkelijk heeft ingestemd met de raamovereenkomst en het ook duidelijk was dat Y bv-X zou gaan vertegenwoordigen bij de vestiging van de hypotheek en dat voorts X bevoegd was een besluit buiten (aandeelhouders-)vergadering te nemen. Volgens de Hoge Raad heeft het hof derhalve kunnen afleiden dat X voldoende bewust was van een…

Verder lezen
Terug naar overzicht