Geen recht op aftrek voorbelasting ter zake van de aanbouw van de woning


Samenvatting

Belanghebbende heeft in 2007 een aanbouw aan zijn woning laten bouwen. In geschil is of de voorbelasting aftrekbaar is. Toen belanghebbende het pand heeft aangeschaft, is geen btw in rekening gebracht. Daardoor is voor het pand geen geheel of gedeeltelijk recht op aftrek ontstaan en bestaat er geen mogelijkheid om op grond van de door belanghebbende gewenste vermogensetikettering het privégebruik aan het pand gelijk te stellen met een fictieve, belastbare dienst (art. 4, lid 2, onderdeel a, Wet OB 1968). Ter zake van de verbouwingsdiensten kan daarom geen beroep worden gedaan op art. 5a Uitv. Besch. OB 1968. Het beroep op HvJ EG Charles en Charles-Tijmens (NTFR 2005/965) kan belanghebbende niet baten. In verband met de aanbouw is hem immers geen investeringsgoed geleverd, maar een dienst verleend. Belanghebbende maakt voorts niet aannemelijk dat de aanbouw voor zakelijke doeleinden is gebruikt. Derhalve bestaat geen recht op aftrek van voorbelasting ter zake van de aanbouw.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar

De aanbouw aan de woning van belanghebbende moet volgens partijen en de rechtbank behandeld worden als een dienst. De vraag is of voor de aftrek van voorbelasting het gebruik van deze dienst zelfstandig beoordeeld moet worden, of dat de dienst het gebruik van de woning volgt. Dat maakt uit voor de aftrek van voorbelasting. In deze casus werd de aanbouw alleen voor privédoeleinden gebruikt. Het gebruik van de woning valt uiteen in een deel privégebruik en een deel zakelijk gebruik. Indien de dienst van de aanbouw zelfstandig wordt beoordeeld is er in het geheel geen aftrek. Dat is het oordeel van de rechtbank…

Verder lezen
Terug naar overzicht