Gemachtigde niet te kwader trouw bij doen van aangifte; navorderingsaanslag vernietigd


Samenvatting

A heeft zijn eenmanszaak in 1999 geruisloos in belanghebbende ingebracht. In de aangifte over 2002 heeft de gemachtigde van belanghebbende ten onrechte rekening gehouden met een afschrijving van 20% op de goodwill bij de geruisloze inbreng. Aan belanghebbende is over 2002 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Na verwijzing is uitsluitend nog in schil of de gemachtigde van belanghebbende te kwader trouw was bij het indienen van de aangifte.

Het moment van het indienen van de aangifte is bepalend voor het antwoord op de vraag of de gemachtigde te kwader trouw was. Het hof oordeelt dat de door de gemachtigde gemaakte fouten terug zijn te voeren op onvoldoende kennis en ervaring met de fiscale verwerking van de gevolgen van de geruisloze inbreng van de eenmanszaak in een besloten vennootschap voor het jaar van inbreng en de latere jaren. Uit deze omstandigheid kan echter geenszins worden afgeleid dat de gemachtigde bedoelde de aangiften vennootschapsbelasting onjuist te doen. Ook overigens zijn daarvoor onvoldoende omstandigheden gesteld. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van opzet aan de kant van de gemachtigde toen hij de aangifte onjuist deed. Het hof vernietigt dan ook de navorderingsaanslag.

(Hoger beroep gegrond.)

Commentaar

In tegenstelling tot bij een vergrijpboete kan bij navordering in de zin van art. 16 AWR de kwade trouw van een gemachtigde wel aan een belastingplichtige worden toegerekend (HR 23 januari 2009, nr. 07/10942, NTFR 2009/259).

In HR 11 juni 1997, nr. 32.299, BNB 1997/384, overwoog de Hoge Raad dat navordering mogelijk is ter zake van een feit ten aanzien waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is…

Verder lezen
Terug naar overzicht