Geruisloze inbreng, de voortzettingseis en het inbrengvereiste (1997.51.3558)


Volgens de Hoge Raad kan het inbrengvereiste aan de toepassing van art. 18 Wet IB (de geruisloze inbreng) in de weg staan. Van inbreng is geen sprake indien de inbreng van de onderneming onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen, gericht op de overdracht of liquidatie van de onderneming. Dit inbrengvereiste kent geen bevrijdende termijn.

In een ander arrest heeft de Hoge Raad het voortzettingsvereiste verworpen. Uit de tekst en de strekking van artikel 18 Wet IB blijkt niet dat vereist is dat de ingebrachte onderneming gedurende een bepaalde periode ongewijzigd wordt voortgezet.

In zijn noot merkt Rijkers op dat in de nieuwste standaardvoorwaarden (Notafax 1997, nr 243) bij art. 18 Wet IB rekening is gehouden met bovengenoemde arresten. De staatssecretaris van Financiën beperkt zich tot het door de Hoge Raad geformuleerde inbrengvereiste. Hij rangschikt daaronder wel de voorgenomen vervreemding van een wezenlijk deel van de onderneming. Deze arresten zijn besproken in Notafax 1997, nrs 217 en 218. Zie ook ND 97.45.3497.

HR; 29 augustus 1997; BNB 1997/374

Verder lezen