Grenzen aan het afdwingen van economische zelfstandigheid


Belastingen zijn een geliefd middel om het gedrag van burgers te sturen. Hoewel de kritiek op dit fiscaal instrumentalisme breed lijkt te worden gedragen1, lijkt de sturingsdrang via belastingen alleen maar toe te nemen. Uit het in februari 2017 gepubliceerde rapport van de Algemene Rekenkamer blijkt dat de Nederlandse belastingwetgeving 179 regelingen bevat die primair beleidsdoelstellingen nastreven door het gedrag van belastingplichtigen te stimuleren of te ontmoedigen.2 Uit de verkiezingsprogramma’s kan worden afgeleid dat het tij voorlopig niet zal worden gekeerd. Het bekende ‘motorblok’ – VVD, CDA en D66 – wil onder andere (!) een mantelzorgvergoeding in de vorm van een belastingvoordeel (CDA), een belastingvrijstelling voor particulieren die in durfkapitaal investeren en het stimuleren van werkgevers, bijvoorbeeld door middel van belastingvoordelen, om arbeidsongeschikten in dienst te nemen (VVD), de investering in grond en beheer van natuur- en landschapsschoon fiscaal belonen en een beloning van sociale ondernemingen bij goed gedrag (D66). Overigens willen deze partijen tegelijkertijd de belastingen (sterk) vereenvoudigen (!).

Van de bestaande instrumentele regelingen, zijn de meeste regelingen gericht op het bevorderen van het ondernemerschap, terwijl het grootste financiële belang is gemoeid met de faciliteiten die zijn gericht op het bevorderen van arbeidsparticipatie.3 De doelstelling om de arbeidsparticipatie te bevorderen wordt in het rapport niet verder onderverdeeld. Toch is de doelstelling tweeledig: enerzijds wil de overheid de arbeidsparticipatie in het algemeen bevorderen (werken moet ‘lonen’), anderzijds richt de overheid zich specifiek op de ‘tweede verdiener’ teneinde de ‘emancipatie en

economische zelfstandigheid’ van vrouwen te bevorderen. Deze laatste doelstelling was in 1973 de belangrijkste reden om te kiezen voor…

Verder lezen
Terug naar overzicht