Havenkranen zijn onroerende zaken


Art 3:3 BW

De Hoge Raad heeft een uitspraak gedaan over havenkranen.

A heeft een expeditie- en stuwadoorsbedrijf en A heeft een opstalrecht met betrekking tot een haventerrein. A heeft op enig moment van een aan haar gelieerde vennootschap twee kranen gekocht en geleverd gekregen. A had die kranen al in gebruik maar destijds op grond van een huurovereenkomst (dus een huur binnen concern).

Die kranen dienen om containers te laden en te lossen. De kranen staan op een rails en kunnen mitsdien over die rails (een paar honderd meter lang) bewegen.

De belastingdienst stelt dat ter zake van de verkrijging door A overdrachtsbelasting verschuldigd is. A stelt primair dat de kranen geen onroerende zaken zijn op grond van het bepaalde in art. 3:3 BW en secundair dat indien onverhoopt wel sprake is van een belastbare verkrijging, alsdan art. 9, lid 4, WBR van toepassing is. A had namelijk reeds een opstalrecht ter zake het haventerrein en verkreeg ten tijde van de plaatsing van de kranen (destijds ten titel van huur) a reeds de juridisch eigendom (door natrekking). Bij de koop en levering verkreeg A de economisch eigendom en mitsdien de faciliteit voor het verkrijgen van economisch eigendom door een juridisch eigenaar, te weten de faciliteit van artikel 9, lid 4 WBR van toepassing.

Het hof oordeelde dat dit een civielrechtelijke vraag is en mitsdien het antwoord afhangt van de civielrechtelijke vraag of de kranen onroerend zijn op grond van het bepaalde in art. 3:3 BW of dat het roerende zaken zijn. Het Hof kwam tot het oordeel dat de kranen onroerende zaken…

Verder lezen
Terug naar overzicht