Heffingsrente bij voorlopige aanslag berekend over zes weken


Samenvatting

Belanghebbende heeft op 1 juni 2007 haar kantoorpand verkocht. In verband daarmee heeft zij een schattingsdisk ingezonden en verzocht een voorlopige aanslag naar een te betalen bedrag van € 362.556 op te leggen. Zij heeft diverse malen contact gezocht met de Belastingdienst waarbij is aangedrongen op een spoedige vaststelling van de voorlopige aanslag, met het oog op het beperken van de heffingsrente. Met dagtekening 27 december 2007 is de voorlopige aanslag opgelegd. Daarbij is heffingsrente berekend over de periode 1 juli 2007 tot en met 27 december 2007. Na bezwaar is de heffingsrente, op grond van het besluit van 24 oktober 2001, nr. CPP2001/2110, verminderd, in die zin dat deze is berekend tot drie maanden na het indienen van het verzoek een voorlopige aanslag op te leggen, derhalve over de periode 1 juli 2007 tot en met 12 oktober 2007. Het hof acht deze periode in het onderhavige geval te lang. In het besluit van 7 maart 2008, nr. CPP2007/3267M, NTFR 2008/598, leest het hof een beleidsregel volgens welke het in rekening brengen van heffingsrente ook achterwege blijft over een periode die gelegen is binnen de termijn van drie maanden, indien de inspecteur zo weinig voortvarend te werk is gegaan dat hij, door het aan belanghebbende in rekening brengen van heffingsrente, enig beginsel van behoorlijk bestuur schendt. Daarvan is volgens het hof in het onderhavige geval sprake. Belanghebbende heeft herhaaldelijk aangedrongen op een snelle afhandeling en voorts heeft de Belastingdienst kennelijk gekozen voor een systeem waarbij het niet mogelijk is om een individueel geval apart te regelen of te bespoedigen. Dat acht…

Verder lezen
Terug naar overzicht