Herinvesteringsreserveperikelen


Wet IB 2001 / Wet VPB 1969

De Rechtbank Haarlem heeft zich op 12 december 2008 uitgesproken over een casus waarbij belastingplichtige eerst een herinvesteringsreserve had afgeboekt op de kostprijs van het vervangende pand en vervolgens een deel van de herinvesteringsreserve wilde aanwenden om de restwaarde te verlagen. De verlaging was berekend naar verhouding tussen de restwaarde en de aanschafprijs van het vervangende pand. Aldus wenste belastingplichtige extra afschrijvingspotentieel te creëren. Naar de mening van de Rechtbank vindt deze verwerkingswijze echter geen steun in artikel. De afboeking van de herinvesteringsreserve zou dan namelijk dubbel worden gebruikt: allereerst als afboeking op de aanschafprijs conform artikel 3.54 Wet IB 2001 en dan nog eens ter verlaging van de restwaarde ter bepaling van het afschrijvingspotentieel ex art. 3.30 Wet IB 2001.

Betreffende belastingplichtige had ook een verhuurd pand waarvan na een brand de bovenwoning niet langer geschikt was voor bewoning. Er vindt de noodzakelijke renovatie plaats, waarvan de kosten substantieel waren ten opzichte van de historische kostprijs en boekwaarde. Ook wordt een splitsingsvergunning aangevraagd en afgegeven. Het pand wordt vervolgens verkocht. De Rechtbank volgt de inspecteur in de stelling dat belastingplichtige na de brand het pand voor eigen rekening en risico ingrijpend heeft gerenoveerd ten behoeve van de verkoop. Alsdan is er sprake van een nieuwe ondernemingsactiviteit waarin het pand fungeert als voorraad. Conform het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2008, nr. 43.515 is het dan niet mogelijk om bij verkoop een herinvesteringsreserve te vormen.

(Rechtbank Haarlem 17 december 2008, nr. AWB 08/3231)

Verder lezen
Terug naar overzicht