Herrekening en herziening bij gebroken boekjaar


Wet OB 1968

Op 5 februari 2010 heeft de Hoge Raad zich over de volgende casus gebogen. Aan belanghebbende was op 1 november 2001 een kantoorpand opgeleverd, dat in haar opdracht was gebouwd. Dit pand is met ingang van dezelfde datum vrijgesteld van omzetbelasting verhuurd, hetgeen tot gevolg had dat belanghebbende op die datum een levering verrichtte in de zin van art. 3, lid 1, letter h, Wet OB 1968 (tekst tot 1 januari 2007). Het boekjaar van belanghebbende was tot 2001 gelijk aan het kalenderjaar. Op 24 december 2001 is het lopende boekjaar verlengd tot 1 november 2002. Op 24 april 2002 heeft belanghebbende het kantoorpand aan een derde geleverd. Omdat deze levering plaatsvond binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming, was belanghebbende ter zake van deze levering omzetbelasting verschuldigd op grond van art. 11, lid 1, letter a, sub 1, Wet OB 1968. Zij heeft deze omzetbelasting op aangifte voldaan. Tevens heeft zij de op aangifte voldane omzetbelasting herzien door een groot deel daarvan als voor aftrek in aanmerking komende belasting in haar aangifte over het tijdvak april 2002 op te nemen. In geschil is of het bedrag daarvan met toepassing van de juiste maatstaven is berekend, of dat, zoals de inspecteur stelde, een te groot bedrag aan omzetbelasting in aftrek is gebracht.

Het Hof heeft overwogen dat onderzocht diende te worden of het bepaalde in art. 15, lid 6, Wet OB 1968 in verbinding met de art. 13 en 13a Uitv.besch. OB 1968 (tekst tot 1 januari 2007) in overeenstemming is te brengen met het te dezer…

Verder lezen
Terug naar overzicht