Herziening van btw-gedeelten van een kantoorpand afzonderlijk in aanmerking genomen


Bij de oplevering in 2005 van een in opdracht van belanghebbende gebouwd kantoorpand is een deel van de totale oppervlakte btw belast verhuurd (57,48%). Per 1 mei 2006 wordt een gedeelte vrijgesteld van btw verhuurd. In geding is of op 1 mei 2006 sprake is van een fictieve levering wegens het voor bedrijfsdoeleinden beschikken over in eigen bedrijf vervaardigde goederen waarvoor geen volledig recht op aftrek van btw bestaat (art. 3.1.h Wet OB 1968, thans art. 3.3.b Wet OB 1968). Volgens Rechtbank Breda heeft belanghebbende reeds bij de eerste verhuur in 2005 over het gehele kantoorpand beschikt voor bedrijfsdoeleinden (namelijk btw belaste verhuur, ook al stond het pand nog deels leeg). Van (voor de eerste maal) beschikken voor bedrijfsdoeleinden over datzelfde kantoorpand – en dus van een fictieve levering – kan op latere datum dan ook geen sprake zijn. Vervolgens is de vraag hoe de correctie van de ter zake van het kantoorpand in aftrek gebrachte voordruk btw dient te verlopen.

De rechtbank is met de inspecteur van mening dat op grond van art. 15, lid 4, Wet OB 1968 de aan het per 1 mei 2006 verhuurde gedeelte toerekenbare voordruk btw per 1 mei 2006 ineens wordt verschuldigd als correctie op de eerdere aftrek (zie ook HR 12 september 2008, nr. 43.011, NTFR 2008/1891). De opvatting van belastingplichtige dat zowel voor de toets of sprake is van een fictieve levering als voor de correctie van in aftrek gebrachte voordruk btw het kantoorpand als één geheel dient te worden beschouwd deelt de rechtbank dus niet. Over het…

Verder lezen
Terug naar overzicht