Het bestaansrecht van de ‘goede koopman’ anno 2007


Traditiegetrouw is de eindejaarsperiode een tijd van omkijken, vooruitkijken en naar binnen kijken. Kortom, een tijd van bezinning en balansen opmaken. En omdat tradities houvast bieden in een hectisch tijdsgewricht lijkt het mij gepast in het eerste nummer van deze jaargang de balans op te maken van de fiscale jurisprudentie van het afgelopen jaar. Ook nu zijn er weer opmerkelijke zaken te vermelden. Ten eerste wil ik ingaan op winstneming en de berekening van de winst bij koop-/aanneemovereenkomsten. Daarna behandel ik de snel voortschrijdende rechtspraak ten aanzien van de herkwalificatie van bedrijfsmiddel naar voorraad. Vervolgens komt de wetsgeschiedenis betreffende de integrale belastingplicht van de woningcorporaties aan de orde, waarna ik inga op de vermogensetikettering van panden in gemengd gebruik en afsluit met de afschrijvingsarresten.

Toepassing residuelewaardemethodiek bij koop-/aannemingsovereenkomsten (lopende procedure)

De vraag wanneer de winst moet worden bepaald – en genomen – houdt de fiscale gemoederen al langer dan gisteren bezig. In dat opzicht mag de benadering van dit vraagstuk met recht ‘onderhanden werk’ worden genoemd. Zeker wanneer een bouwproject maanden, of langer, duurt en het eindproduct stukje bij beetje gestalte krijgt, maakt dat de vraag urgent wanneer er winst kan worden genomen; en, uiteraard, wanneer de ongeduldige fiscus kan gaan afrekenen.
In de vroegste fasen van het projectontwikkelingsproces wordt de winst op een ontwikkelingsproject gecreëerd. Wat, waar en wanneer kan worden gebouwd, bepaalt in hoge mate de winst. Een ontwikkelaar bijvoorbeeld voegt aan een locatie (een grondpositie) waarde toe door te bewerkstelligen dat op die locatie een bepaald object (kantoor, winkel, woning) zal worden gebouwd. Maar…

Verder lezen
Terug naar overzicht