Naar de inhoud

Het civielrechtelijke bestuursverbod

Auteurs staan in hun bijdrage uitgebreid stil bij de Wet civielrechtelijk bestuursverbod die met ingang van 1 juli 2016 van kracht is.

Op grond van deze wet kan de rechter, op vordering van de curator of verzoek van het OM, een bestuursverbod opleggen aan een statutair of feitelijk (gewezen) bestuurder van een privaatrechtelijke rechtspersoon, dan wel een Europese rechtspersoon met zetel in Nederland, welke bestuurder faillissementsfraude heeft gepleegd of zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur in de aanloop naar een faillissement. Het verbod brengt met zich dat een getroffen bestuurder in beginsel géén bestuurder of commissaris meer kan zijn.

Het verbod treft slechts (uitvoerend) bestuurders, geen commissarissen of niet-uitvoerend bestuurders (art. 106d lid 2 Fw). Dat is opvallend; een commissaris kan immers ook kwalificeren als een feitelijk bestuurder en aansprakelijk zijn ex art. 2:149/259 jo 2:138/2:248 BW. Limitatief geldt nochtans dat een bestuursverbod kan worden opgelegd als:

1.       onherroepelijk vaststaat dat een bestuurder aansprakelijk is ex art. 2:138/2:248 BW wegens onbehoorlijke taakvervulling met faillissement tot gevolg (art. 106a lid 1 sub a Fw);
2.       onherroepelijk vaststaat dat een bestuurder aansprakelijk is ex art. 42 of 47 Fw wegens benadeling van schuldeisers (106a lid 1 sub b Fw);
3.       een bestuurder ernstig tekort schiet in de nakoming van zijn informatie- of medewerkingsverplichtingen uit de Fw (art. 106a lid 1 sub c Fw);
4.       een bestuurder ten minste tweemaal eerder betrokken was bij een faillissement en hem daarvoor een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt (art. 106a lid 1 sub d Fw);
5.       onherroepelijk vaststaat dat aan een bestuurder of rechtspersoon ex art. 67d-f AWR een boete is opgelegd (art. 106a lid 1 sub e Fw).

Een opgelegd verbod is pas effectief als de uitspraak onherroepelijk is. Ook is het niet uitvoerbaar bij voorraad (art. 106b lid 6 Fw). Wel kan een bestuurder ex art. 106c lid 4 Fw worden geschorst. Het verbod geldt voor 5 jaar. De rechter kan een kortere duur bepalen (art. 106b lid 1 Fw). Het verbod ziet in beginsel op alle rechtspersonen waarbij de getroffen bestuurder als bestuurder of commissaris is of wordt aangesteld (art. 106b lid 2 Fw).

Het is de bedoeling een verbod in te schrijven in een centraal register dat aan het handelsregister van de KvK is gekoppeld. Na ontvangst van de onherroepelijke uitspraak via de griffier van rechtbank of hof, schrijft de KvK de bestuurder als bestuurder of commissaris uit (art. 106b lid 3 Fw). Denkbaar is dat de rechter wel bepaalt dat de getroffen bestuurder bij zijn pensioen- of stamrecht-bv kan aanblijven. Ook ontneemt een verbod hem niet de mogelijkheid een eenmanszaak uit te oefenen of vennoot te zijn van een personenvennootschap.

Voor instelling van het centrale register dient echter de Handelsregisterwet en het Handelsregisterbesluit te worden gewijzigd. Tot die tijd registreert de KvK een verbod niettemin. Een benoeming in weerwil van een verbod is nietig (art. 106b lid 1 Fw). Een nietige benoeming heeft ook gevolgen voor de besluitvorming waarbij een getroffen bestuurder of commissaris betrokken is.

Volgens auteurs is de stem van een getroffen bestuurder nietig ex art. 2:13 lid 1 BW. Voor zover deze nietigheid niet van invloed is op de stemuitslag, is het genomen besluit ex art. 2:15 lid 1 sub a BW vernietigbaar.

De wet is van toepassing op faillissementen die na inwerkingtreding van de wet zijn uitgesproken. Let wel: alle feiten en omstandigheden die leiden tot een verbod dienen volgens art. II van de wet te dateren van na die datum.

N. Kreileman en C.D.J. Bulten, Ondernemingsrecht 2016/109

Wetgevingart. 2:107a Fw
art. 2:107b Fw
art. 2:107c Fw
art. 2:107d Fw
art. 2:107e Fw
art. 2:138 BW
art. 2:149 BW
art. 2:248 BW
art. 2:259 BW
Jurisprudentie
Officiële publicaties
Europese regelgeving
Soort nieuwsWetgeving
Publicatiedatum01-12-2016
Nummer2016/0858