Het fonds voor gemene rekening in de vastgoedpraktijk


Bij de invoering van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet VBP 1969) is het fonds voor gemene rekening (FGR) geïntroduceerd. Er is dus al zo een veertig jaar ervaring met deze rechtsfiguur. In deze bijdrage sta ik stil bij het gebruik van het FGR in de nationale vastgoedpraktijk. De internationale aspecten laat ik rusten.

Eerst zal ik de achtergrond van de introductie van het FGR schetsen. Vervolgens zal ik ingaan op enige civielrechtelijke aspecten. Daarna sta ik op hoofdlijnen stil bij de fiscale behandeling van het FGR vanuit een oogpunt van vennootschaps-, inkomsten‑, overdrachts- en omzetbelasting. Ik besluit met de voorspelling dat van het FGR nog veelvuldig gebruik zal worden gemaakt.

1 Achtergrond

In het oorspronkelijke voorstel voor de Wet VBP 1969 kwam het FGR niet voor. Bij Tweede nota van wijziging is het alsnog in het wetsvoorstel opgenomen.2 Voorgesteld werd om het FGR in art. 2, lid 1, onderdeel e als lichaam aan te merken; thans art. 2, lid 1, onderdeel f, Wet VBP 1969. Het voorgestelde tweede lid bevatte een definitie van het FGR, die nagenoeg gelijk is aan de huidige definitie, eveneens in art. 2, lid 2, Wet VPB 1969. Uit de toelichting blijkt dat met de invoering van het FGR beoogd is zogenoemde open beleggingsfondsen gelijk te schakelen met beleggingsmaatschappijen, dat wil zeggen beleggingsinstellingen die als een nv zijn georganiseerd.3 Laatstgenoemden werden als lichaam in de heffing van vennootschapsbelasting betrokken, terwijl genoemde open beleggingsfondsen als rechtspersoonlijkheid ontberende rechtsfiguren niet aan de vennootschapsbelasting werden onderworpen. In de toelichting blijkt dat met open fondsen…

Verder lezen
Terug naar overzicht