Hof Amsterdam 04-01-2001, JAR 2001, 109


Directeur. Hoger beroep. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Competentie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 109.

Een werknemer (thans 51 jaar, salaris gemiddeld NLG 16.788,-- bruto per maand) is sinds 1977 (volgens hemzelf) respectievelijk 1991 (volgens de werkgever) bij de werkgever en haar rechtvoorgangsters in dienst. Tot 1 april 1999 heeft hij diverse verkoopfuncties c.q. functies als bedrijfsleider vervuld. Per 1 april 1999 is hij benoemd tot statutair directeur. Op 8 november 1999 is hij ontheven uit zijn functie van statutair directeur. De werknemer heeft in dit ontslag berust. Vervolgens heeft hij nog tot eind januari 2000 verkoopwerkzaamheden verricht. Op 18 februari 2000 heeft de werknemer de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden omdat hem geen passende functie is aangeboden. De werkgever heeft gesteld dat niet de kantonrechter maar de rechtbank bevoegd is om het verzoek te beoordelen omdat dit samen zou hangen met zijn hoedanigheid van statutair bestuurder. De kantonrechter heeft zich wel bevoegd geacht. Daartoe heeft hij overwogen dat bij de beoordeling van de vraag welke rechter bevoegd is, bepalend zijn de stellingen zoals ingenomen in het inleidend verzoek en de daarop verstrekte toelichting bij de mondelinge behandeling. In dit geval heeft de werknemer gesteld dat hij in het ontslag als statutair directeur heeft berust en dat er in de eerste weken na het ontslag geen wijziging in zijn overige hoofdtaken kwam. Voorts heeft de kantonrechter gewezen op het feit dat de werknemer gedurende het dienstverband steeds in verkoopfuncties werkzaam is geweest en slechts relatief kort - circa zes maanden - daarnaast tevens als statutair directeur heeft gewerkt. Hij heeft daarop de arbeidsovereenkomst ontbonden onder toekenning van een vergoeding (NLG 665.070,-- bruto) aan de werknemer. De werkgever heeft hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de kantonrechter omtrent de bevoegdheid. Daarop heeft de rechtbank overwogen dat niet de kantonrechter maar hijzelf bevoegd is omdat de tussen partijen gerezen onenigheid voortvloeit uit het feit dat de werknemer is ontslagen uit zijn functie van statutair directeur. Daardoor achtte de werkgever het nodig de werknemer een andere functie aan te bieden. Het zou daarom, aldus de rechtbank, gaan om een ondeelbaar conflict. De rechtbank heeft de zaak vervolgens doorverwezen naar het Hof als zijnde de bevoegde appèlrechter. Het Hof volgt evenwel het oordeel van de kantonrechter. Ook volgens het Hof was de kantonrechter bevoegd het ontbindingsverzoek te beoordelen, gelet op de stellingen van de werknemer in zijn verzoekschrift. Daaraan doet niet af dat de periode tussen de ontheffing van de werknemer uit zijn statutair bestuurderschap en indiening van het ontbindingsverzoek betrekkelijk kort is geweest en wellicht mede ingegeven is geweest door de wijze waarop die ontheffing heeft plaatsgevonden. Het Hof verwerpt derhalve het hoger beroep

Terug naar overzicht