Hof Amsterdam 10-03-1999, JAR 1999, 145


Uitzendarbeid. Buitenlandse werknemer.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 145.

Een uitzendbureau wordt door de politierechter veroordeeld wegens het zonder tewerkstellingsvergunning arbeid laten verrichten door een buitenlandse werknemer. Het uitzendbureau gaat in hoger beroep, stellende dat niet zij maar de opdrachtgever over een tewerkstellingsvergunning had dienen te beschikken. Het Hof is het hier mee eens. Volgens de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) is degene die de vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig. Degene die met de betreffende vreemdeling een overeenkomst tot het verrichten van arbeid sluit, kan weliswaar ook zorgen voor een tewerkstellingsvergunning, maar dan dient de uiteindelijke opdrachtgever te controleren dat ook daadwerkelijk een vergunning is verleend voor de vreemdeling die het werk uitvoert. In dit geval is de werknemer feitelijk tewerkgesteld door de opdrachtgever en zijn verzuim leidt niet tot de verplichting van het uitzendbureau een vergunning aan te vragen. Het Hof vernietigt het vonnis en spreekt het uitzendbureau vrij.

Verder lezen
Terug naar overzicht