Hof Arnhem 02-07-2002, NJ 2003, 473


Uitzendarbeid.

Een uitzendbureau brengt een werkgever in contact met een administrateur, die op basis van detachering bij de werkgever werkzaam zal zijn. De werkgever weigert de detacheringsovereenkomst te tekenen, maar gaat wel akkoord met de door het uitzendbureau voorgestelde uitzendovereenkomst. Op grond van deze overeenkomst is de opdrachtgever, indien hij de uitzendkracht in dienst neemt, een bemiddelingsloon verschuldigd. Als blijkt dat de uitzendkracht alleen op basis van een detacheringsovereenkomst wil werken, sluiten de werkgever en de uitzendkracht een arbeidsovereenkomst. Het uitzendbureau vordert vervolgens bemiddelingsloon. De werkgever beroept zich, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) op vernietigbaarheid van de betreffende bepaling in de uitzendvoorwaarden, omdat deze de uitzendkracht in zijn vrije arbeidskeuze beperkt. Het hof stelt dat de minister bij de parlementaire behandeling van de Waadi expliciet heeft overwogen dat een apart publiekrechtelijk verbod om ter beschikking gestelde arbeidskrachten te belemmeren in dienst te treden bij een derde niet nodig is onder de Waadi. Op grond van het algemene overeenkomstenrecht zijn partijen beschermd tegen onredelijk bezwarende bedingen. In beginsel heeft de minister als onredelijk bezwarend beding aangemerkt, een beding in de relatie uitzendbureau/uitzendkracht, dat de vrije arbeidskeuze van de uitzendkracht belemmert. De minister heeft zich niet uitgelaten over het recht op bemiddelingsloon in de relatie uitzendbureau/inlener. Er is geen sprake van directe respectievelijk indirecte belemmering. Dat de werkgever door het aangaan van een rechtstreekse arbeidsovereenkomst jegens het uitzendbureau bemiddelingsloon verschuldigd is, doet, zonder nadere feiten en omstandigheden die de werkgever niet gesteld heeft, niet af aan de mogelijkheid van vrije arbeidskeuze van de werknemer.

Terug naar overzicht