Hof Arnhem 06-07-2004, JAR 2004, 185


Bedrijfsongeval. Aansprakelijkheid werkgever.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 185.

Bij de werknemer, geboren op 1 november 1939, is op 12 september 1997 longkanker vastgesteld. Op 11 januari 2000 is hij overleden. Van 1964 tot 1979 is de werknemer als fabrieksarbeider werkzaam geweest in het asbestbedrijf van de werkgever. De dochters en erfgenamen van de werknemer hebben de werkgever aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het overlijden van hun vader. De kantonrechter heeft de vordering van de dochters voor 55% toegewezen, zijnde de kans dat de longkanker van de werknemer door blootstelling aan asbest is veroorzaakt. In hoger beroep voert de werkgever aan dat niet vaststaat dat de ziekte van de werknemer door asbestblootstelling is veroorzaakt, nu de werknemer langdurig heeft gerookt, en voorts dat het kansaandeel ten onrechte op 55% is gesteld. Het hof stelt vast dat onbestreden is dat het medisch gezien niet mogelijk is om de longkankergevallen die veroorzaakt zijn door asbest te onderscheiden van longkanker veroorzaakt door rookgewoonten. Nu het echter vaststaat dat de blootstelling aan asbest bij de werkgever substantieel risicoverhogend heeft gewerkt, moet, gezien de aard van de aansprakelijkheid van art. 7:658 BW, de blootstelling als oorzaak van de ziekte worden beschouwd. De kantonrechter heeft in onderhavig geval echter slechts aansprakelijkheid aangenomen voor het kansaandeel, dat wil zeggen de mate van risicoverhoging, van de asbestblootstelling in het ontstaan van de longkanker, kennelijk omdat in dit geval ook een andere risicoverhogende en aan de werknemer toe te rekenen factor, te weten diens rookgewoonte, aanwijsbaar is. Daarmee is de in art. 6:101 BW voorziene vermindering van de schadevergoedingsplicht tot stand gebracht op een wijze die het hof juist en redelijk acht en waartegen overigens geen grief is gericht. Het hof verwerpt de grief van de werkgever die is gericht tegen de vaststelling van het percentage van 55%. Weliswaar is het juist, aldus het hof, dat het kansaandeel ook op 43% geschat had kunnen worden, maar omdat voor het overige concrete en steekhoudende kritiek op de berekening van de deskundige ontbreekt en een kansaandeel van 43% bovendien nog steeds binnen de zeer ruime onzekerheidsmarges van de berekening valt, leidt deze grief niet tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter.

Terug naar overzicht