Hof Arnhem 06-07-2004, NJF 2004, 552, JAR 2004, 186


Bedrijfsongeval. Aansprakelijkheid werkgever. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 186.

De werknemer, geboren op 19 november 1914, is op 19 oktober 1984 overleden aan de gevolgen van longkanker. De werknemer is van 1961 tot 1975 als asbestmenger bij de werkgever in dienst geweest. H., de weduwe van de werknemer, heeft de werkgever bij brief van 9 juni 1997 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het overlijden van haar echtgenoot. De kantonrechter heeft de vordering van H. voor 63,5% toegewezen, zijnde de kans dat de longkanker van de werknemer door blootstelling aan asbest is veroorzaakt. In hoger beroep stelt de werkgever dat de kantonrechter ten onrechte zijn beroep op verjaring heeft afgewezen en dat het kansaandeel van asbestblootstelling aan het ontstaan van de longkanker niet op 63,5% maar op 57,5% had moeten worden gesteld. Het hof verwerpt het beroep op verjaring. Het hof stelt vast dat het criterium "bekend is geworden" met de aansprakelijke partij uit art. 3:310 lid 1 BW subjectief moet worden opgevat. Voor het slagen van het beroep op verjaring is daarom vereist dat H. vóór 9 juni 1992 bekend was met het feit dat de werkgever voor de schade aansprakelijk was. Uit de stukken volgt niet dat dit het geval was. Weliswaar was ten tijde van het overlijden van de werknemer in medische kringen reeds bekend dat asbestblootstelling longkanker teweeg kon brengen, maar het is niet ondenkbaar dat de artsen hierover niet met de werknemer en H. hebben gesproken, omdat de heersende opvatting toen nog was dat asbestgerelateerde longkanker uitsluitend als complicatie van asbestose kon ontstaan, en de werknemer geen asbestose had. Ook uit andere correspondentie en uit berichten in de pers kan niet worden afgeleid dat H. genoeg informatie had om tot het standpunt te komen dat de werkgever aansprakelijk was. Het beroep tegen de vaststelling van het kansaandeel op 63,5% wordt door het hof verworpen met de overweging dat, als moet worden aangenomen dat de longkanker het gevolg is van het nemen van onvoldoende maatregelen van de werkgever ter voorkoming van asbestblootstelling, dit een volledige aansprakelijkheid is en geen gevolgen kunnen worden verbonden aan de vraag of de risicoverhoging tot een kansaandeel van 65%, van 63,5% of van 57% heeft geleid, aangezien ook in dat laatste geval nog steeds van een aanmerkelijke verhoging van de kans op schade moet worden gesproken. Dat zou anders kunnen zijn wanneer zich ook risicoverhogende factoren hebben voorgedaan die aan de werknemer kunnen worden toegerekend en die daarom op de voet van art. 6:101 BW tot vermindering van de vergoedingsplicht van de werkgever moeten leiden. Daarvan is in dit geval echter geen sprake…

Verder lezen
Terug naar overzicht