Hof Arnhem 20-01-2004, NJF 2004, 299


Bedrijfsongeval. Aansprakelijkheid werkgever. Verjaring. Toepasselijk recht.

Een matroos raakt bekneld tussen de door bemanningsleden uitgelegde loopplank en de opbouw van het schip. Volgens de werknemer was de loopplank noch aan de wal noch aan boord voldoende gezekerd. Hij stelt dat de werkgever onvoldoende zorg in acht heeft genomen ten opzichte van zijn veiligheid. Hij acht de werkgever aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad en vordert een schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat de vordering is verjaard op grond van art. 8:1790 BW (op grond van de aanvaringsbepaling is de verjaringstermijn twee jaar). De werknemer gaat in hoger beroep. Hij stelt dat zijn vordering niet is gebaseerd op de aanvaringsbepaling maar op het tekortschieten van de eigenaar in de zorg voor zijn veiligheid (zie HR 08-11-1996, NJ 1998, 297). Hoewel het ongeval heeft plaatsgevonden in een Italiaanse haven is Nederlands recht van toepassing op grond van art. 2 lid 3 Arbo-wet (dat wil zeggen op arbeid die buiten Nederland wordt verricht door personen werkzaam aan boord van zeeschepen die varen onder Nederlandse vlag). Het hof stelt dat van een exclusieve werking van een wettelijke regeling slechts sprake kan zijn als de wet dit voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt (zie HR 15-11-2002, NJ 2003, 48). Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis stelt het hof dat de bijzondere regeling inzake de aanvaring van een zeeschip, de mogelijkheid om op grond van art. 6:162 BW te ageren, niet in de weg staat. Aangezien de werknemer zijn vordering heeft gebaseerd op art. 6:162 BW heeft de rechtbank deze vordering ten onrechte verjaard geacht. Het hof houdt de vordering aan omdat terugverwijzing naar de rechtbank niet mogelijk is omdat het hier gaat om een eindvonnis dat niet strekt tot onbevoegdverklaring. Het hof is van oordeel dat de kapitein van het schip, die had gezien dat de loopplank niet meer goed lag en verlegd moest worden, moest zorgdragen voor de veiligheid van de werknemer, temeer omdat hij had moeten weten dat de werknemer een onervaren matroos was. Hij had toezicht moeten uitoefenen en de werknemer moeten waarschuwen niet tussen het einde van de loopplank en het huis van het schip te gaan staan. Het beroep op eigen schuld gaat niet op omdat eventuele fouten van de werknemer slechts aan hem kunnen worden toegerekend ingeval de schade in belangrijke mate het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid (zie HR 12-04-2002, Heijboer/De Branding, RvdW 2002, 70, JOL 2002, 225, NJ 2003, 138, JAR 2002, 102, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 34 en HR 09-05-2003, El Hachioui/De…

Terug naar overzicht