Hof heeft volgens A-G IJzerman steken laten vallen in bestuurdersaansprakelijkheidszaak


Samenvatting

Belanghebbende was bestuurder van B bv. Op 9 december 2008 is het faillissement van B uitgesproken. Belanghebbende is door de ontvanger als bestuurder aansprakelijk gesteld voor aan B opgelegde en onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting over de periode september tot en met november 2008. Hof Den Bosch (21 mei 2015, nr. 13/00978, NTFR 2015/2180) heeft geoordeeld dat het onbetaald blijven van de belastingschulden het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Bij dit oordeel heeft het hof zwaarwegend geacht de omstandigheid dat B, terwijl vaststond dat zij binnen afzienbare tijd zou ophouden te bestaan, haar krediet bij de bank (geheel) heeft afgelost, maar de (oplopende) belastingschulden niet heeft voldaan. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag van de aansprakelijkstelling heeft het hof geoordeeld dat de over de maand november 2008 onbetaald gebleven belastingen niet door toedoen van belanghebbende onbetaald zijn gebleven omdat de verplichting daartoe, vanwege het faillissement van B op 9 december 2008, niet meer op belanghebbende rustte, maar op de curator. Het hof heeft voorts geoordeeld dat het na faillissement oplopen van de door B verschuldigde invorderingsrente als zodanig niet aan belanghebbende te wijten is, zodat de beschikking verminderd is. Zowel belanghebbende als de staatssecretaris heeft cassatieberoep aangetekend.

In het eerste middel van belanghebbende wordt de stelling betrokken dat belanghebbende geen andere keuze had dan eerst de schuld aan de bank te voldoen. Alle betalingen die B ontving, kwamen binnen op haar rekening bij die bank en de bank trok via verrekening alle ontvangen bedragen naar zich toe. Belanghebbende kon deze afboekingen en verrekeningen door…

Verder lezen
Terug naar overzicht