Naar de inhoud

Hof komt niet toe aan toetsing forfaitaire rendementsregeling aan art. 56 EG-Verdrag

Samenvatting

Belanghebbende is enig aandeelhouder van een op de Nederlandse Antillen (Curaçao) gevestigde vennootschap. De bezittingen van deze vennootschap bestaan voor meer dan 50% uit beleggingen. De inspecteur heeft ter zake van de aandelen van deze vennootschap een forfaitair voordeel als bedoeld in art. 4.13, lid 1, Wet IB 2001 als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. In geschil is of deze bijtelling een door art. 56 EG-Verdrag verboden belemmering vormt. Het hof is van oordeel dat het aandelenbezit van belanghebbende hem de mogelijkheid biedt een beslissende invloed op de besluiten van de vennootschap uit te oefenen en de activiteiten van de vennootschap te bepalen. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU overheerst onder deze omstandigheden het vestigingsaspect en wordt het kapitaalverkeersaspect verdrongen. De onderhavige forfaitaire rendementsregeling wordt derhalve beheerst door art. 43 EG-Verdrag en toetsing van die regeling aan art. 56 EG-Verdrag komt niet aan de orde. Nu het vestigingsverkeer niet is vrijgemaakt in de verhouding tot derde landen staat voor belanghebbende geen toegang open tot de verkeersvrijheden van het EG-verdrag.

(Hoger beroep ongegrond.)

Commentaar

Volgens het hof kan belanghebbende een beroep op art. 56 EG-Verdrag (thans art. 63 VwEU) niet baten. Immers nu het in casu om een meerderheidsdeelneming gaat is niet de vrijheid van kapitaal in het geding, maar de vrijheid van vestiging en die laatste kent geen werking naar derdelanden. Daardoor hoefde het hof zich niet uit te spreken over de stelling van de inspecteur dat de verhouding tussen een lidstaat en de eigen LGO als een interne kwestie moet worden…