Hof Leeuwarden 05-11-2003, JAR 2003, 294


Bepaalde tijd.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 294.

De werknemer is per 15 januari 1999 bij de werkgever in dienst getreden als hoofdwerktuigkundige op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. In december 1999 heeft de werkgever de werknemer aangeboden de arbeidsovereenkomst tegen dezelfde voorwaarden te verlengen, wederom voor de duur van een jaar, dus tot 15 januari 2001. De werknemer was het met dit aanbod niet eens. Partijen hebben vervolgens overleg gevoerd. Op 27 januari 2000 heeft de werkgever een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden, aflopend op 15 april 2000, aan de werknemer toegezonden. De werknemer heeft deze overeenkomst niet getekend. Bij brief van 2 maart 2000 heeft de werkgever de werknemer bericht dat zijn dienstverband op 15 april 2000 eindigde en niet zou worden voortgezet. De werknemer heeft gesteld dat tussen partijen in december 1999 een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar tot stand is gekomen met de clausule dat na drie maanden zou worden bekeken of de arbeidsovereenkomst zou worden omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. De werkgever heeft gesteld dat in december 1999 een arbeidsovereenkomst voor drie maanden is gesloten. De kantonrechter heeft de werkgever in het gelijk gesteld. Op het hoger beroep van de werknemer stelt het hof vast dat de werknemer zich heeft beroepen op art. 398 WvK, welk artikel dwingend bepaalt dat de arbeidsovereenkomst tussen de zeewerkgever en de schepeling, op straffe van nietigheid, schriftelijk moet worden aangegaan en door de schepeling persoonlijk moet worden ondertekend. Op grond van art. 397 WvK is titel 10 van boek 7 BW van toepassing, voorzover daarvan in het WvK niet is afgeweken. Art. 7:668 BW bepaalt in dit verband dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die zonder tegenspraak wordt voorgezet, wordt geacht voor dezelfde tijd te zijn voortgezet. Naar het oordeel van het hof dient het samenstel van art. 7:668 BW en art. 398 WvK zo uitgelegd worden dat, in geval van een voortgezette arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, aangenomen moet worden dat de arbeidsovereenkomst voor dezelfde tijd is voortgezet, tenzij daarvan bij schriftelijke, door de schepeling ondertekende, overeenkomst is afgeweken. Een dergelijke door de werknemer ondertekende overeenkomst ontbreekt in dit geval, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na ommekomst van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst met één jaar is verlengd, derhalve tot 15 januari 2001.

Terug naar overzicht