Hof Leeuwarden 23-07-2003, JAR 2003, 211


Executiegeschil. Ontbinding gewichtige redenen. Ontslag op staande voet. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 211.

Op 15 augustus 2002 heeft de werkgever de werknemer op staande voet ontslagen. De werknemer heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van het ontslag. De kantonrechter heeft op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk ontbonden, namelijk voor het geval dat in rechte onherroepelijk wordt vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst niet door het ontslag op staande voet is geëindigd, onder toekenning aan de werknemer van een vergoeding van € 25.078,79. De werknemer heeft in een bodemprocedure nietigverklaring van het ontslag op staande voet gevorderd. Deze procedure is nog niet geëindigd. Op 27 maart 2003 heeft de werknemer de grosse van de beschikking aan de werkgever doen betekenen, waarbij bevel is gedaan om de ontbindingsvergoeding binnen twee dagen te betalen. De werkgever heeft vervolgens schorsing van de executie gevorderd op de grond dat de vergoeding nog niet opeisbaar is omdat nog niet is vastgesteld of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter heeft in kort geding schorsing van de executie gelast. Op het hoger beroep van de werknemer overweegt het hof dat, anders dan de werknemer stelt, uit het arrest van de Hoge Raad (HR 05-09-1997, De Bode/DHIJ, RvdW 1997, 163, JAR 1997, 215, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 237) niet volgt dat ook een voorwaardelijk toegekende ontbindingsvergoeding onmiddellijk opeisbaar is, indien een beroep is gedaan op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet. In het arrest van de Hoge Raad speelde de vraag vanaf welk moment de wettelijke rente over een voorwaardelijk toegekende ontbindingsvergoeding is verschuldigd. Vertrekpunt was daarbij dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst had ontbonden "voorzover rechtens vereist". In het voorliggende geschil heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst echter niet ontbonden voorzover vereist, maar heeft hij in het dictum uitdrukkelijk – en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar – bepaald dat de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk wordt ontbonden voor het geval dat in rechte onherroepelijk wordt vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst niet reeds eerder is geëindigd. Deze voorwaarde is (nog) niet ingetreden. De werknemer heeft tegen deze beschikking geen hoger beroep ingesteld. De vraag of de kantonrechter, gelet op het arrest van de Hoge Raad, wel de ontbinding afhankelijk had mogen maken van de voorwaarde dat in rechte onherroepelijk het ontslag op staande voet nietig zou zijn geoordeeld, kan, ingevolge het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, niet in een executiegeschil worden beantwoord. De werknemer kan de ontbindingsbeschikking daarom (nog) niet ten uitvoer leggen.

Terug naar overzicht