Hof 's-Gravenhage 18-12-2002, JAR 2003, 36


Loon. Ontslag op staande voet. Wettelijke verhoging. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 36.

De werknemer is op 9 november 1998 bij de werkgever, een werkvoorzieningschap, in dienst getreden. Op 30 januari 2001 heeft de werknemer zich ziek gemeld. Bij e-mail van 5 februari 2001 heeft de bedrijfsarts de werkgever laten weten dat de werknemer opnieuw een spreekuurafspraak heeft afgebeld omdat hij zich te ziek achtte om te komen. De bedrijfsarts schrijft daardoor niet te kunnen beoordelen of werkelijk sprake is van arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 6 februari 2001 is de werknemer op staande voet ontslagen omdat hij zich niet heeft willen laten controleren. De werknemer heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen. De kantonrechter heeft zijn vordering afgewezen. Op het hoger beroep van de werknemer overweegt het hof dat in de memorie van toelichting van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) waar de werknemer naar verwijst, is aangegeven dat een werknemer niet verplicht is om zich te laten controleren bij ziekte, doch dat de werkgever aan een weigering om dit te doen consequenties kan verbinden in de sfeer van de loondoorbetaling. Verder merkt het hof op dat niet uit te sluiten valt dat voor de weigering van de werknemer om zich door de Arbo-arts te laten controleren, een oorzaak te vinden is in zijn psychische gesteldheid, gelet op zijn basale psychische conditie die er ook toe heeft geleid dat hij op een sociale werkplaats tewerk is gesteld, in combinatie met zijn alcoholprobleem en het overlijden van zijn moeder enige maanden eerder. In een zodanige situatie kon de werkgever niet op straffe van ontslag op staande voet controle door de bedrijfsarts verlangen. Het ontslag is daarom niet geldig. Wel matigt het hof de wettelijke verhoging over het achterstallige loon tot nihil, omdat de weigering van de werknemer zich medisch te laten onderzoeken de directe oorzaak van deze procedure is geweest.

Terug naar overzicht