Hof 's-Hertogenbosch 08-05-2001, NJ 2002, 235


Aansprakelijkheid werkgever. Competentie.

Het SFB stelt een bestuurder van twee vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk voor de niet afgedragen premies voor de sociale verzekeringen respectievelijk het bedrijfspensioenfonds. Naast betaling van deze premies vordert het SFB betaling van de kosten van het strafrechtelijk onderzoek naar fraude bij een van de twee vennootschappen. De rechtbank verklaart het SFB niet ontvankelijk in zijn vorderingen gebaseerd op de Coördinatiewet sociale verzekeringen (CSV) en de Wet verplichte deelneming bedrijfspensioenfonds (BPF) en wijst de vordering inzake de onderzoekskosten af wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof is van oordeel dat het feit dat er een bijzondere rechtsgang bestaat voor inning van de bedragen gebaseerd op de CSV en de BPF, dit niet wil zeggen dat de burgerlijke rechter niet ook bevoegd is. Er is geen sprake van een ontoelaatbare doorkruising van het in de CSV respectievelijk BPF neergelegde stelsel, temeer niet nu het SFB zijn vordering afhankelijk stelt van de uitkomst van de procedures overeenkomstig de CSV respectievelijk de BPF. Het SFB is dus ontvankelijk in zijn vorderingen, die zullen worden toegewezen. Met betrekking tot de onderzoekskosten is het hof van oordeel dat het door het SFB uitgevoerde opsporingsonderzoek een publiekrechtelijk taak is, waarvan de kosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten in de zin van art. 96 lid 2 sub b BW. Verhaal van deze kosten langs privaatrechtelijk weg is onverenigbaar met het feit dat ten aanzien van frauduleus handelen slechts is voorzien in een strafrechtelijke of administratiefrechtelijke sanctie en niet in een verhaalsmogelijkheid voor de kosten van het opsporingsonderzoek. Deze vordering dient dan ook te worden afgewezen.

Terug naar overzicht