Hoge Raad 02-03-2001 (Van der Plas/Guis), RvdW 2001, 65, JOL 2001, 165


Competentie (bevoegdheid rechter op grond van art. 16 EEX). Directeur.

De directeur van een Franse vennootschap en de directeur van de Nederlandse aandeel- houdster zijn overeengekomen dat een derde mededirecteur zal zijn van de Franse vennootschap. Deze mededirecteur kan afzien van zijn benoeming in ruil voor een onherroepelijke volmacht. Indien hij toch prijs stelt op mededirecteurschap zal de directeur van de Franse vennootschap hieraan zonder voorbehoud meewerken. Ondanks diverse sommaties daartoe weigert de directeur van de Franse vennootschap de AVA bijeen te roepen en de directeur van de Nederlandse holding weigert de directeur van de Franse dochter daartoe te instrueren. Vervolgens wordt in kort geding gevorderd van de directeur van de holding zijn medewerking te verlenen aan bovengenoemde overeenkomst. De president wijst de vordering grotendeels toe en het Hof bekrachtigt het vonnis. De Hoge Raad legt de zaak voor aan het Europees Hof met de vraag of met betrekking tot de vorderingen alleen de Franse rechter bevoegd is op grond van art. 16 aanhef en onder 2 EEX. Zo ja, sluit deze bevoegdheid dan uit dat een rechter van een andere lidstaat op grond van art. 24 EEX bevoegd is tot het nemen van de in de wet voorziene voorlopige of bewarende maatregelen? Indien dit niet uitgesloten wordt zijn dan de gevorderde maatregelen aan te merken als voorlopige of bewarende maatregelen in de zin van art. 24 EEX?

Terug naar overzicht