Hoge Raad 03-09-1999 Vrolijk & Stoop/Biesboer, RvdW 1999, 116, JAR 1999, 195, NJ 1999, 734


CAO. Verjaring. Overwerk. Vakantie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 195.

Een chauffeur met een lang dienstverband gaat met ingang van 1 maart 1995 in de VUT. Als blijkt dat de werkgever in strijd met de CAO Beroepsgoederenvervoer de tijd-voor-tijduren van de werknemer bij het begin van ieder jaar op nul heeft gesteld, vordert de werknemer betaling van deze uren over de jaren 1991 tot en met 1994 (NLG 15.370,24 bruto), vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De kantonrechter wijst de vordering af omdat, nu er geen overleg als bedoeld in de CAO heeft plaatsgevonden, het aan de werknemer toekomende recht op vrije tijd niet is geconverteerd in recht op vergoeding in geld voor overwerk. De rechtbank is van oordeel dat de tijd-voor-tijduren die bij het einde van het dienstverband blijken niet te zijn vergoed, in geld moeten worden uitbetaald en wel voor 130% van het uurloon. Het beroep op verjaring respectievelijk rechtsverwerking wijst de rechtbank af. De werkgever gaat in cassatie. De Hoge Raad overweegt dat volgens de CAO tijd-voor-tijduren een bijzondere vorm van overuren zijn. Overuren worden in geld vergoed maar tijd-voor-tijduren worden in vrije tijd vergoed of op een in overleg te bepalen andere wijze, waarbij in geval van uitbetaling in geld 130% van het uurloon geldt. Uit de CAO blijkt niet van een mogelijkheid dat tijd-voor-tijduren onvergoed kunnen blijven. Volgens de Hoge Raad dient de CAO zo te worden uitgelegd dat voor de opgespaarde tijd-voor-tijduren, evenals voor overuren het geval is en zoals in de verhouding werkgever/werknemer zonder meer voor de hand ligt, steeds een vergoeding wordt ontvangen. Gezien de beëindiging van het dienstverband komt voor de vergoeding maar één in de CAO voorziene wijze in aanmerking, te weten uitbetaling tegen 130% van het uurloon. Het oordeel van de rechtbank dat het beroep op rechtsverwerking moet worden verworpen omdat het louter stilzitten van de werknemer dat beroep niet kan dragen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. De klacht die zich keert tegen het oordeel van de rechtbank dat een brief van 23 augustus 1995 de verjaring van de vordering heeft gestuit, faalt wegens gemis aan belang, omdat de inleidende dagvaarding die op 7 februari 1996 aan de werkgever is betekend, stuiting teweegbrengt. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht