Hoge Raad 05-03-1999 Tulkens/FNV, NJ 1999, 644, RvdW 1999, 43, JAR 1999, 73


Ontbinding gewichtige redenen. Vakantie (niet-genoten). Verjaring. Goed werkgeverschap. Schadeloosstelling (naast ontbindingsvergoeding).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 73.

Een juridisch medewerker van een vakvereniging vordert nadat de arbeidsovereenkomst is ontbonden (na een 15-jarig dienstverband waarvan hij de laatste twee jaar ziek was) met een vergoeding van NLG 114.000,-- een bedrag van NLG 30.920,66 als vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen en een verklaring voor recht dat de werkgever in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld en dus gehouden is tot een schadevergoeding. De kantonrechter wijst de vordering niet-genoten vakantiedagen af op grond van verjaring ex art. 1638ll lid 1 BW (oud). Met betrekking tot de vordering op grond van slecht werkgeverschap draagt de kantonrechter de werknemer op te bewijzen dat de werkgever, door de werkdruk niet te verminderen, zijn hartklachten heeft genegeerd met als gevolg dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is geworden. De werknemer gaat in hoger beroep doch de rechtbank bekrachtigt het vonnis. Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank terecht gesteld dat onder bepaalde uitzonderlijke omstandigheden een beroep op verjaring in strijd is met het goed werkgeverschap c.q. met de redelijkheid en billijkheid. Het oordeel dat de door de werknemer aangevoerde omstandigheden te weinig zwaarwegend waren om een beroep op verjaring af te weren, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige niet op zijn juistheid worden getoetst. De bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de arbeidsovereenkomst brengt met zich mee dat in de regeling inzake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex art. 1639w BW (oud) het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid in beginsel ten volle tot uitdrukking dient te komen in de hoogte van de ontbindingsvergoeding, zodat er daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is (zie HR 24-10-1997 Baijings/Sara Lee, RvdW 1997, 207, JAR 1997, 248 Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 192). In het onderhavige geval heeft de kantonrechter in de ontbindingsprocedure uitdrukkelijk rekening gehouden met de escalerende werking die van een bepaalde brief van de werkgever was uitgegaan, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat terzake verdere schadevergoeding niet op zijn plaats was. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht