Hoge Raad 06-04-2001 (Vellekoop/Wilton Fijenoord), RvdW 2001, 73, JOL 2001, 232


Bedrijfsongeval (mesothelioom). Verjaring. Bewijs.

Een werknemer werkt van 1951 tot en met 1973 als pijpfitter en wordt gedurende die tijd blootgesteld aan asbest. In 1987 wordt mesothelioom geconstateerd waaraan de werknemer in 1988 op 52-jarige leeftijd overlijdt. Acht jaar later stelt de weduwe van de werknemer de werkgever aansprakelijk voor de schade. De kantonrechter wijst de vordering af op grond van verjaring ex art. 3:310 lid 1 BW. De rechtbank bekrachtigt het vonnis. De Hoge Raad overweegt dat op grond van art. 3:310 lid 1 BW een vordering verjaart na verloop van vijf jaar na aanvang van de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dit criterium moet worden opgevat als een subjectief criterium, dat wil zeggen dat degene die zich op de verjaringstermijn beroept, bewijst dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon. De opvatting dat de benadeelde met de schade en de aansprakelijke persoon bekend had behoren te zijn, die ook blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de bevrijdende verjaring (nr. 26 824), dat door de Tweede Kamer is aangenomen, is een objectief criterium en derhalve onjuist. Op grond van feiten en omstandigheden heeft de rechtbank behoudens het door de benadeelde te leveren tegenbewijs daadwerkelijke bekendheid aangenomen. Door aldus te oordelen heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank heeft echter ten onrechte aan het aanbod om tegenbewijs te leveren de eis gesteld dat dit moest zijn gespecificeerd (zie HR 10-12-1999, NJ 2000, 637). De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het Hof

Terug naar overzicht