Hoge Raad 13-07-2001 (X/Fatum), JOL 2001, 427


Ontslag op staande voet (werkweigering) (Arubaanse zaak).

Een 53-jarige medewerkster huishoudelijke dienst (negen jaar in dienst) wordt op staande voet ontslagen wegens werkweigering. Ondanks tot twee keer daartoe een opdracht te hebben gekregen, weigert de werkneemster het afwassen van serviesgoed van de huurders die in hetzelfde pand gevestigd zijn als de werkgever. Volgens de werkneemster behoefde zij daar op advies van de Directie Arbeidszaken geen gehoor aan te geven. De werkneemster beroept zich op nietigheid en vordert doorbetaling van loon. Het Gerecht in Eerste Aanleg (GEA) wijst de vordering af evenals het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Volgens het Hof konden de werkzaamheden in redelijkheid van de werkneemster gevraagd worden. Het feit dat de Directie Arbeidszaken de werkneemster had geadviseerd te weigeren af te wassen, komt voor rekening van de werkneemster. Het OM overweegt dat hardnekkig weigeren te voldoen aan een redelijke opdracht in beginsel een dringende reden oplevert. Onder bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn. De enkele omstandigheid dat het de eerste keer is dat de werkneemster weigert en zij steeds naar tevredenheid heeft gefunctioneerd geldt niet als bijzonder. Het enkele niet onderzoeken van de reden van de werkweigering, brengt op zichzelf niet mee dat de weigering geen dringende reden kan opleveren. Overigens was de werkgever, die de bezwaren heeft aangehoord, daartoe niet verplicht (zie HR 19-09-1980, NJ 1981, 131). Dat de werkneemster zich kennelijk niet kon beroepen op het feit dat door de bijkomende werkzaamheden het totaal takenpakket te zwaar werd, omdat zij dit destijds niet als reden voor de werkweigering had gegeven, is onjuist aangezien het Hof heeft overwogen dat onvoldoende is aangetoond dat de extra werkzaamheden een onredelijke arbeidsverzwaring met zich meebrengt. De Hoge Raad volgt de conclusie van het OM en verwerpt het beroep

Terug naar overzicht