Hoge Raad 15-12-2000 (Intramco/Grotenhuis), RvdW 2001, 2, JOL 2000, 634, NJ 2001, 251, JAR 2001, 14


Hoger beroep. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling (inclusief behoud optierecht).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 14.

In een ontbindingsprocedure kent de kantonrechter aan de werknemer (vijf jaar in dienst) als vergoeding niet alleen een bruto geldbedrag toe maar tevens het recht om conform hetgeen partijen daaromtrent zijn overeengekomen gebruik te maken van de optieregeling zoals vervat in een overeenkomst. In hoger beroep voert de werkgever aan dat de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW is getreden door als vergoeding het recht toe te kennen om gebruik te maken van een optieregeling conform de tussen partijen bestaande overeenkomst. De rechtbank heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. Het cassatiemiddel betoogt onder meer dat onder een vergoeding in de zin van art. 7:685 lid 8 BW niet kan worden begrepen het recht om gebruik te maken van een optieregeling conform hetgeen partijen daaromtrent zijn overeengekomen. De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank terecht ervan is uitgegaan dat de bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de arbeidsovereenkomst meebrengt dat in de regeling betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zoals neergelegd in art. 7:685 BW, het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid in beginsel ten volle tot uitdrukking dient te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter, op de voet van het achtste lid van het artikel, met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent, en dat het daarom gewenst is dat de rechter bij het vaststellen van de door hem toe te kennen vergoeding alle voor zijn billijkheidsoordeel relevante factoren meeweegt, waaronder ook de op het verlies van de uit de aandelenopties voortvloeiende voordelen gegronde aanspraak (HR 24-10-1997, Baijings/Sara Lee, RvdW 1997, 207, JAR 1997, 248, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 163). Hiervan uitgaande heeft de rechtbank een juist oordeel gegeven door aan te nemen dat de kantonrechter bevoegd was aan werknemer bij wege van vergoeding in de zin van art. 7:685 lid 8 BW het recht toe te kennen om conform hetgeen partijen daaromtrent zijn overeengekomen gebruik te maken van de optieregeling zoals vervat in de daarop betrekking hebbende overeenkomst tussen partijen. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de kantonrechter daardoor niet buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW is getreden

Terug naar overzicht