Hoge Raad 20-10-2000 (Soolsma/Hertel), JAR 2000, 237


Bedrijfsongeval (asbestose). Verjaring (meer dan 30 jaar).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 237.

33 jaar na het einde van het dienstverband bij een scheepswerf waar met asbest werd gewerkt, wordt bij de ex-werknemer asbestose geconstateerd, waaraan hij vier jaar later overlijdt. De erfgenamen vorderen een schadevergoeding (waaronder smartengeld van NLG 300.000,--) van de werkgever, stellende dat de werknemer onvoldoende is beschermd. De werkgever beroept zich op verjaring. De erfgenamen achten het beroep op de verjaringstermijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid en stellen dat deze op grond van art. 6:2 en art. 6:248 BW buiten toepassing behoort te blijven. De kantonrechter wijst de vordering af omdat de verjaringstermijn op 2 mei 1989 was verstreken. De rechtbank bekrachtigt het vonnis. De Hoge Raad overweegt, onder verwijzing naar HR 28-04-2000 (Van Hese/De Schelde, RvdW 2000, 118, JOL 2000, 264, JAR 2000, 122, NJ 2000, 430), dat in uitzonderlijke gevallen de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW buiten toepassing kan blijven omdat dit op grond van art. 6:2 lid 2 BW onaanvaardbaar zou zijn. Een dergelijke uitzondering doet zich voor wanneer onzeker is dat de schadeveroorzakende gebeurtenis inderdaad tot longkanker zou leiden en de schade verborgen is gebleven en pas kan worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn is verstreken. Of in dit geval toepassing van de verjaringstermijn van 30 jaar na de gebeurtenis waarop de aanspraak berust naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden en met al hetgeen de Hoge Raad in bovengenoemd arrest heeft overwogen, moeten worden beoordeeld. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst het geding naar het Hof.

Verder lezen
Terug naar overzicht