Hoge Raad 21-04-2000 (Hazenbroek/Enthoven), NJ 2000, 410, RvdW 2000, 113, JOL 2000, 247


Overgang onderneming. Competentie (vrijwaring).

Een werkgever verkoopt zijn tuinbouwbedrijf en komt met de koper overeen dat geen overname van personeel plaatsvindt. De werkgever vrijwaart de koper voor alle gevolgen. Een werknemer vordert vervolgens wegens overgang onderneming ex art. 1639aa e.v. BW (oud) van de koper doorbetaling van loon. De koper roept de "oude" werkgever in vrijwaring op. De kantonrechter verklaart de koper niet-ontvankelijk, vanwege gebrek aan belang omdat de kantonrechter in de hoofdzaak de vordering van de werknemer tegen de koper heeft afgewezen en de werknemer in de proceskosten heeft veroordeeld. De koper wijst in hoger beroep op het feit dat de werknemer hoger beroep in de hoofdzaak heeft ingesteld en dat hij dus belang heeft bij zijn vordering in vrijwaring. De rechtbank verklaart de kantonrechter onbevoegd omdat de vrijwaringsvordering niet betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst is en veroordeelt de koper in de kosten van het hoger beroep. De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank er kennelijk van uit gegaan is dat de vordering van de koper zich niet leende voor een procedure in vrijwaring omdat de hoofdzaak tussen de werknemer en de koper tot de absolute bevoegdheid van een andere rechter behoorde dan de vrijwaring. Dit oordeel is onjuist. De rechtbank was met betrekking tot de vordering tot vrijwaring in eerste aanleg de bevoegde rechter. Nu de zaak in hoger beroep aan haar was voorgelegd, had de rechtbank deze op grond van art. 157a lid 1 Rv in de stand van het hoger beroep behoren te verwijzen naar het Hof. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het Hof.

Terug naar overzicht