Hoge Raad 23-02-2001 (De Grote Een/X), JOL 2001, 150


Ontslag op staande voet. Ongewenste intimiteiten.

Een werknemer, 21 jaar in dienst als bezorger, wordt op staande voet ontslagen wegens het meerdere malen lastigvallen van een vrouwelijke klant. De werknemer ontkent en vordert doorbetaling van loon. De kantonrechter acht de werkgever na tussenvonnis geslaagd in het bewijs dat de werknemer de vrouwelijke klant seksueel heeft geïntimideerd en wijst de vordering af. De werknemer gaat in beroep en vordert een verklaring voor recht dat het ontslag nietig is. De rechtbank acht de gedragingen geen dringende reden voor een ontslag op staande voet, vernietigt het vonnis, verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd en veroordeelt de werkgever tot doorbetaling van loon. Het OM is van oordeel dat de rechtbank niet heeft miskend dat de gedragingen die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten, een dringende reden voor ontslag op staande voet zijn. De rechtbank was echter van oordeel dat de veronderstelde gedragingen dit gevolg niet hebben gehad. Dit wil niet zeggen dat de rechtbank van oordeel is dat het lastigvallen van vrouwelijke klanten als zodanig geen dringende reden voor ontslag op staande voet zou kunnen opleveren. Omdat volgens de rechtbank de (door de kantonrechter bewezen geachte) gedragingen het ontslag op staande voet niet rechtvaardigen, heeft de rechtbank de vraag of de werknemer zich daaraan schuldig heeft gemaakt terecht buiten beschouwing gelaten. Bovendien heeft de werkgever geen belang bij een onderzoek naar de bezwaren van de werknemer tegen de bewijslevering. De Hoge Raad volgt de conclusie van het OM en verwerpt het beroep, zonder nadere motivering, op grond van art. 101a RO

Terug naar overzicht