Hoge Raad 23-06-2000 (Schalken/Intervam), JOL 2000, 370, JAR 2000, 164


Ontslag op staande voet. Bewijs. Ziekte. Ontbinding gewichtige redenen (voorwaardelijke).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 164.

Een één jaar in dienst zijnde timmerman (salaris NLG 867,55 bruto per week) meldt zich, na een arbeidsconflict over vergoeding van reisuren, ziek. Nadat hij een week later door de bedrijfsvereniging hersteld is verklaard, geeft hij geen gehoor aan de sommatie van de werkgever om het werk te hervatten en wordt wegens onwettig verzuim op staande voet ontslagen. Het beroep van de werknemer tegen de weigering uitkering Ziektewet wordt door de bestuursrechter afgewezen. De werknemer vordert doorbetaling van loon op grond van nietigheid van het ontslag op staande voet en legt een verklaring over van zijn huisarts dat hij de werknemer heeft geadviseerd niet te werken in verband met zijn geestelijke toestand. Bij beschikking van 25 augustus 1994 (bijna een jaar na het ontslag op staande voet) is de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer van NLG 3.400,-- bruto. De kantonrechter draagt de werkgever op te bewijzen dat de werknemer arbeidsgeschikt was, waarin de werkgever geslaagd wordt geacht. In hoger beroep draagt de rechtbank de werknemer op te bewijzen dat hij arbeidsongeschikt was, dan wel te goeder trouw mocht menen dat te zijn. De rechtbank acht dat bewijs niet geleverd, nu de werknemer zelf heeft verklaard dat de reden van zijn ziekmelding toch vooral gelegen was in het arbeidsconflict. Na de ziekmelding is de werknemer door de bedrijfsarts onderzocht en arbeidsgeschikt bevonden waarvan de werknemer bij zijn volgend bezoek aan de huisarts geen melding heeft gemaakt en de huisarts na summier onderzoek hem rust heeft voorgeschreven. Ook na een daaropvolgend bezoek aan de bedrijfsarts, die hem nog steeds arbeidsgeschikt achtte, heeft de werknemer niet opnieuw contact opgenomen met zijn huisarts, ook niet na het ontslag op staande voet en met het verzoek contact op te nemen met de bedrijfsarts of met de werkgever om hen te overtuigen van zijn arbeidsongeschiktheid. Het OM concludeert dat de rechtbank de regels omtrent de bewijslastverdeling niet heeft miskend. In beginsel rust op de werkgever de bewijslast van het ongeoorloofd verzuim, maar wanneer het vermoeden gewettigd is dat de werknemer niet arbeidsongeschikt was kan de bewijslast op de werknemer gelegd worden. Het standpunt van de werknemer dat altijd mag worden afgegaan op het oordeel van de huisarts is dus, zoals in casu, onjuist. In navolging van de conclusie OM verwerpt de Hoge Raad het beroep met de verkorte motivering van art. 101a RO.

Verder lezen
Terug naar overzicht