Hoge Raad 23-06-2000 (X/Y), JOL 2000, 368, JOL 2000, 369


Buitenlandse werknemer (Illegale). Kennelijk onredelijk ontslag. Bewijs.

Een illegale buitenlandse werknemer wordt met ontslagvergunning opgezegd en stelt een vordering in wegens kennelijk onredelijk ontslag. De werknemer gaat daarbij uit van een dienstverband van acht jaar, de werkgever van slechts vier jaar in welke periode belasting en premies zijn afgedragen. De kantonrechter wijst een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag toe van drie maanden salaris. In hoger beroep stelt de rechtbank vast dat de werkgever vóór de door hem als datum aanvang dienstverband genoemde datum geen premies en belastingen op naam van de werknemer zijn afgedragen, waaruit de rechtbank de conclusie heeft getrokken dat de werknemer tot die datum niet "wit" bij de werkgever heeft gewerkt. De rechtbank laat de werknemer toe tot het bewijs dat hij voordien al, zij het "zwart", voor de werkgever werkte. In cassatie concludeert het OM dat het feit dat er wel op (onbenoemde) naam NN premies en belastingen waren afgedragen niet in de weg staat aan de conclusie van de rechtbank dat de werknemer in die periode niet "wit" voor de werkgever heeft gewerkt. Het betreft een feitelijk oordeel en daarop berustende bewijslastverdeling door de rechtbank, welke niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met de verkorte motivering van art. 101a RO.

Terug naar overzicht