Hoge Raad 25-02-2000 (Engers/Hoffmann), JAR 2000, 83, JOL 2000, 134


Gelijke behandeling. Loon. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 83.

Een rechercheur werkt acht maanden bij een bedrijfsrecherchebureau tegen een salaris van NLG 3.500,-- bruto per maand. Nadat de werknemer door de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) in het gelijk is gesteld, vordert hij achterstallig salaris, als blijkt dat een werkneemster, die nagenoeg hetzelfde werk verrichtte, NLG 500,-- bruto per maand meer ontving. De kantonrechter wijst de vordering toe in tegenstelling tot de rechtbank in hoger beroep die meent dat er geen sprake is van arbeid van nagenoeg gelijke waarde. De Hoge Raad verwerpt het beroep met toepassing van art. 101a RO. Het OM concludeert dat uit de parlementaire geschiedenis van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) blijkt dat het oordeel van de CGB geen rechtskracht van bindend advies heeft en dat de wet aan de resultaten van een onderzoek geen specifiek rechtsgevolg verbindt. De rechter is ook niet verplicht om op grond van art. 12 AWGB de CGB te verzoeken om een nadere toelichting. Wel bestaat op grond van art. 121 Gw een motiveringsplicht als de rechter het oordeel van het CGB niet deelt. De rechtbank heeft het oordeel van de CGB niet zonder deugdelijke motivering terzijde geschoven en zijn oordeel is niet onbegrijpelijk. Er is geen reden voor omkering van de bewijslast nu de rechtbank op grond van het onderzoek van de CGB kon oordelen dat er geen sprake was van arbeid van nagenoeg gelijke waarde. Aan de vraag waarom ongelijke beloning gerechtvaardigd was, is de rechtbank niet toegekomen. Ook het oordeel van de CGB dat er sprake was van discriminatie, vormt geen reden voor omkering van de bewijslast, omdat aan dit oordeel geen specifieke rechtsgevolgen, ook niet op het gebied van bewijs zijn verbonden.

Terug naar overzicht