Hoge Raad 28-04-2000 (Rouwhof/Eterniet), RvdW 2000, 119, JOL 2000, 265, NJ 2000, 431


Bedrijfsongeval (mesothelioom). Verjaring.

Bij een 59-jarige werknemer die gedurende zijn dienstverband van 1951 tot en met 1959 is blootgesteld aan asbest, wordt in 1991 mesothelioom vastgesteld tengevolge waarvan hij een half jaar later overlijdt. De erven van de werknemer vorderen een schadevergoeding van de werkgever van NLG 32.733,26. De werkgever beroept zich op verjaring ex art. 3:310 BW. De kantonrechter acht bij tussenvonnis de erven ontvankelijk. De rechtbank vernietigt dit vonnis en wijst de vorderingen op grond van verjaring af. De Hoge Raad overweegt dat op grond van de tekst van art. 3:310 BW en de wetsgeschiedenis als gebeurtenis heeft te gelden, de gedraging die tot schade kan leiden, ook al is het vooralsnog onzeker of inderdaad schade zal volgen en de schade zich later manifesteert. In dit geval moet als gebeurtenis worden aangenomen de blootstelling aan asbest, dat wil zeggen het einde van de blootstelling. Aangezien art. 3:310 BW op alle vorderingen tot schadevergoeding van toepassing is, is deze ook van toepassing op een vordering tot schadevergoeding op grond van art. 1638x BW (oud), respectievelijk art. 7:658 BW (zie HR 02-10-1998, De Schelde/Wijkhuizen, RvdW 1998, 171, JAR 1998, 227, NJ 1999, 682, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 26). Dit geldt ook voor de erven van de werknemer op grond van art. 1406 BW (oud), omdat het een vordering tot schadevergoeding betreft, op grond van een gedraging die jegens de overledene wanprestatie en/of onrechtmatige daad oplevert, hoezeer de vordering terzake van het overlijden een zelfstandige en een niet van de overledene afgeleide aanspraak verleent. Onder verwijzing naar het arrest van dezelfde datum (Van Hese/De Schelde, RvdW 2000, 118, JOL 2000, 264, JAR 2000, 122, NJ 2000, 430) acht de Hoge Raad de klachten die zich richten tegen het oordeel van de rechtbank dat er voor de rechter geen ruimte meer is om op grond van redelijkheid en billijkheid van bovengenoemde verjaringstermijn af te wijken, op zichzelf gegrond. In dit geval kunnen zij wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat zich hier niet een situatie voordoet dat de rechtsvordering reeds was verjaard voordat de vordering kon worden ingesteld en er dus geen sprake is van een uitzonderlijk geval op grond waarvan de verjaringstermijn van 30 jaar buiten toepassing moet worden gelaten. Op 1 januari 1992 was de onder het voordien geldende recht vallende verjaringstermijn nog niet verstreken, zodat nog tot 1 januari 1993 op grond van art. 73 Overgangswet NBW de vordering geldend had kunnen worden gemaakt of verjaring had kunnen worden gestuit. De…

Terug naar overzicht