Hoge Raad 28-04-2000 (Van Hese/De Schelde), RvdW 2000, 118, JOL 2000, 264, JAR 2000, 122, NJ 2000, 430


Bedrijfsongeval (mesothelioom). Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 122.

Een schilder bij een scheepswerf is vier jaar blootgesteld aan asbest. Ruim 33 jaar later wordt mesothelioom vastgesteld en de werknemer overlijdt op 61-jarige leeftijd. De erven vorderen NLG 200.000,-- smartengeld naast NLG 1.000,-- materiële schadevergoeding. De werkgever beroept zich op de verjaringstermijn van 30 jaar ex art. 3:310 lid 2 BW. De kantonrechter wijst de vordering af, evenals de rechtbank. De Hoge Raad is van oordeel dat de vraag of toepassing van de verjaringstermijn van 30 jaar na de gebeurtenis waarop de aanspraak berust, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moet worden beoordeeld. De rechter zal daarbij de volgende gezichtspunten dienen te betrekken: 1) gaat het om vermogenschade dan wel ander nadeel en komt de vergoeding ten goede aan het slachtoffer of aan derden, 2) bestaat er aanspraak op een uitkering uit andere hoofde, 3) de mate van verwijtbaarheid, 4) in hoeverre heeft de aangesprokene voor het verstrijken van de verjaringstermijn rekening gehouden met zijn aansprakelijkheid, 5) de reële mogelijkheid van verweer, 6) dekking van de aansprakelijkheid door verzekering, 7) aansprakelijkheidstelling binnen redelijke termijn na openbaring van de schade. Op grond van de wetsgeschiedenis acht de Hoge Raad juist het oordeel van de rechtbank, dat als gebeurtenis die de verjaring doet aanvangen ex art. 310 lid 2 en 3 BW moet worden aangemerkt het tijdstip waarop de blootstelling is geëindigd. De klacht dat de rechtbank op grond van art. 3 en 11 ESH en/of art. 7 Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten en gelet op art. 94 Grondwet, ambtshalve art. 3:310 BW buiten toepassing zou moeten laten, faalt aangezien deze verdragbepalingen geen rechtstreekse werking hebben. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het Hof.

Terug naar overzicht