Hoge Raad 28-05-1999 Huijerjans/Kuypers, RvdW 1999, 86, NJ 1999, 509


CAO. Loon. Wijziging arbeidsvoorwaarden.

(Zie voor de voorgeschiedenis HR 27-03-1998 FNV/Kuypers, JAR 1998, 99, NJ 1998, 709, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998 blz. 64). Een internationaal chauffeur wordt teruggeschaald, nadat zijn werkgever op 26 maart 1994 hierover afspraken heeft gemaakt met het voltallig personeel. De werknemer ontkent de afspraak en legt de zaak voor aan de Beroepscommissie Functiewaardering. Deze commissie stelt de werknemer in het gelijk, waarop de werknemer een verklaring voor recht vordert dat hij recht heeft op inschaling en uitbetaling conform een bepaalde loonschaal zoals vastgelegd in de van toepassing zijnde CAO. Deze CAO was algemeen verbindend tot 1 januari 1994 en bleef tijdens de onderhandelingen over een nieuwe CAO van kracht tot 1 april 1994. Op 18 april 1994 komt een nieuwe CAO tot stand, die geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1994. De kantonrechter wijst de vorderingen grotendeels toe. De rechtbank echter alleen voor de periode vanaf 26 maart 1994 tot 1 april 1994 en over de periode vanaf 22 september 1994 (dag van indiening verzoek Beroepscommissie) tot 3 november 1995 (einde dienstverband). De klacht dat de rechtbank heeft geoordeeld dat op de vergadering van 26 maart 1994 individuele afspraken tot stand zijn gekomen, acht de Hoge Raad gegrond. Een werkgever mag pas erop vertrouwen dat een individuele werknemer heeft ingestemd met een op een personeelsvergadering besloten salarisverlaging, indien dit ondubbelzinnig blijkt uit verklaringen respectievelijk gedragingen van deze werknemer. De rechtbank is in deze uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht met betrekking tot het oordeel van de rechtbank dat, hoewel de op 26 maart 1994 gemaakte salarisafspraak op dat moment strijdig was met de CAO 1991/1993, partijen kunnen overeenkomen dat deze afspraak zal ingaan na het einde van de looptijd, is volgens de Hoge Raad eveneens gegrond. Een op grond van de Wet CAO nietige afspraak wordt niet van rechtswege geldig door het verstrijken van de CAO-looptijd. Mede gelet op de eis van rechtszekerheid is er geen plaats voor conversie. Bovendien blijkt uit het vonnis dat de rechtbank is uitgegaan van salarisverlaging vanaf 27 maart 1994. Ook is een beroep op terugwerkende kracht van de CAO 1994 ten aanzien van de salarisafspraak voor de periode van 1 april tot 18 april 1994 niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid, omdat de gestelde salarisafspraak niet alleen afwijkt van de CAO 1994, maar ook van de op 26 maart 1994 geldende CAO 1991/1993. Het oordeel van de rechtbank dat, hoewel de werknemer op grond van de nieuwe CAO vanaf 18 april 1994 recht had op een bij zijn functie passende loonschaal, hij pas vanaf 22 september 1994 aanspraak kon maken op die loonschaal, is onjuist. De bepaling…

Terug naar overzicht