Hoge Raad 29-06-2001 (Industromontaza/Banfic), RvdW 2001, 125, NJ 2001, 476, JAR 2001, 141


Bedrijfsongeval. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 141.

Een werknemer overkomt in de uitvoering van zijn werkzaamheden een ongeval waarvoor hij zijn werkgever aansprakelijk acht. Naar aanleiding van het ongeval stelt de afdeling bedrijfsbeveiliging van de werkgever rapporten op die onder meer een verklaring van de werknemer bevatten omtrent de toedracht van het ongeval. In de procedure stelt de werknemer een andere toedracht. De rechtbank heeft de werkgever opgedragen de toedracht van het ongeval te bewijzen en overwoog voorts dat uit de "summiere rapportages" onvoldoende bewijs kon worden geput voor de door de werkgever ingenomen stellingen. De werkgever bestrijdt deze oordelen in cassatie. De Hoge Raad overweegt dat nu in dit geding vaststaat dat de werknemer de gestelde schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, de werkgever ingevolge art. 7:658 BW voor deze schade aansprakelijk is tenzij hij, in het onderhavige geval, aantoont dat hij de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichtingen is nagekomen. Deze bepaling impliceert dat op de werkgever ook de bewijslast van de toedracht van het ongeval rust voor zover hij zich wil beperken tot het bewijs van het nakomen van op de aard van het ongeval toegespitste verplichtingen. Niet is uitgesloten dat onder bijzondere omstandigheden moet worden geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat toepassing van een bijzondere regel van bewijslastverdeling als de onderhavige achterwege moet blijven en dus moet worden uitgegaan van de hoofdregel van art. 177 Rv. Niet begrijpelijk is waarom de hiervoor vermelde rapporten, waarin klaarblijkelijk op grond van de eigen verklaring van de werknemer - die pas geruime tijd na het ongeval met een afwijkende lezing is gekomen - de toedracht van het ongeval is omschreven, onvoldoende bewijs kan worden geput

Verder lezen
Terug naar overzicht