Hoge Raad 30-11-2001 (Datelnet/X), JOL 2001, 711


CAO. Vakvereniging.

De werkgever en de vakvereniging hebben een geschil over het van toepassing zijn van een bepaalde CAO. Zij komen vervolgens een afwijking van deze CAO overeen en leggen deze vast in een vaststellingsovereenkomst. De werkgever past overeenkomstig de arbeidsover- eenkomsten aan, doch de werknemer, tevens lid van de vakvereniging, gaat niet akkoord. De werknemer wordt ziek en vervolgens volledig arbeidsongeschikt. Hij vordert een verklaring voor recht dat zijn salaris op basis van de CAO NLG 4.256,68 had dienen te bedragen op de dag van ingang van zijn WAO-uitkering en betaling van achterstallig loon (NLG 88.698,85). De werkgever stelt dat de werknemer aan de vaststellingovereenkomst is gebonden . De kantonrechter is het daar mee eens aangezien de werknemer door de vakvereniging is vertegenwoordigd bij het sluiten van de overeenkomst. In tegenstelling tot de kantonrechter wijst de rechtbank de vorderingen van de werknemer toe, stellende dat de overeenkomst een vaststellingsovereenkomst ex art. 7:900 BW is en geen CAO. De vakvereniging was derhalve niet bevoegd de werknemer op grond van zijn lidmaatschap te vertegenwoordigen. De Hoge Raad is van oordeel dat met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst niet is voldaan aan art. 4 Wet op de loonvorming (CAO treedt pas in werking na kennisgeving). De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat deze overeenkomst geen CAO is. Uit het oordeel dat de vakvereniging de werknemer niet heeft kunnen vertegenwoordigen en dat gesteld noch gebleken is dat de werknemer op een andere wijze aan de vaststellingsovereenkomst was gebonden, blijkt dat de rechtbank het verweer van de werkgever (gebondenheid door lidmaatschap) niet heeft opgevat als een beroep op art. 2: 46 BW (aangaan van verplichtingen door een vereniging ten laste van de leden). Dit oordeel van de rechtbank is niet onbegrijpelijk, te meer daar de werkgever niet anders heeft gesteld dan dat de werknemer aan de vaststellingsovereenkomst was gebonden op grond van art. 9 Wet CAO en het verenigingsrecht. De Hoge Raad verwerpt het beroep

Terug naar overzicht