Hoge Raad verklaart eerder arrest vervallen en wijst rechtstreekse toepassing Richtlijnbepaling af


Samenvatting

Belanghebbende heeft op 28 oktober 2004 bezwaar gemaakt tegen haar aangifte omzetbelasting over het tijdvak oktober tot en met december 2003. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Rechtbank en Hof Den Haag hebben de inspecteur in het gelijk gesteld. Het door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 30 november 2007, nr. 43.850 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen van het griffierecht. Uit nader onderzoek is echter gebleken dat belanghebbende het in cassatie verschuldigde griffierecht wel tijdig heeft betaald. De Hoge Raad acht daarom termen aanwezig het arrest van 30 november 2007 vervallen te verklaren, en het cassatieberoep alsnog in behandeling te nemen. Inhoudelijk krijgt belanghebbende, die met een beroep op art. 18, lid 3, Zesde Richtlijn de niet-ontvankelijkverklaring wil openbreken, echter ongelijk. Genoemde Richtlijnbepaling leent zich volgens de Hoge Raad namelijk niet voor rechtstreekse toepassing, zodat belanghebbende zich voor de nationale rechter niet met vrucht op het bepaalde in art. 18, lid 3, Zesde Richtlijn kan beroepen.

(Cassatieberoep ongegrond.)

Feiten

Bij brief van 28 oktober 2004 heeft belanghebbende de Inspecteur bericht dat zij bezwaar maakt tegen (onder meer) haar aangifte over het tijdvak oktober tot en met december 2003, en verzocht om teruggaaf van (onder meer) in voormeld tijdvak aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van de bouw van een woning.

Bij uitspraak van 27 mei 2005 heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Daarnaast heeft hij beslist geen termen aanwezig te achten voor het verminderen of teruggeven van belasting.

De Rechtbank…

Verder lezen
Terug naar overzicht