HR 03-01-2003 (Lazonder/Herber), JOL 2003, 4, JAR 2003, 20


Bewijs. Loon. Verrekening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 20.

Een werknemer vordert betaling van achterstallig salaris over de jaren van 1991 tot en met 1995. De werkgever heeft zich op verrekening met teveel betaald salaris beroepen. De rechtbank heeft in hoger beroep het beroep op verrekening verworpen, overwegende dat de gegrondheid van het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen; gezien de betwisting van de werknemer van de vordering van de werkgever, moet bewijslevering volgen. Voorts verschillen partijen van mening over de vraag of de werkgever loonstroken/afrekeningen heeft verstrekt. De rechtbank heeft geoordeeld dat op de werkgever de bewijslast rust. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van art. 81 Wet RO. Uit de conclusie van het OM volgt dat de rechtbank bij het passeren van het beroep van de werkgever op verrekening van het juiste criterium is uitgegaan (art. 6:136 BW). Het oordeel van de rechtbank is voldoende begrijpelijk gemotiveerd. De rechtbank is binnen de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid gebleven en heeft, door op de noodzaak van bewijslevering te wijzen, in het licht van de stellingen van partijen voldoende gemotiveerd waarom de gegrondheid van het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Dat de vordering en de tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding voortspruiten, behoeft niet per se te impliceren dat het de rechter niet zou vrijstaan het beroep op verrekening te passeren. Het geschil over het al dan niet verstrekt zijn van de bedoelde afrekeningen mag volgens het OM niet los worden gezien van de wijze waarop het debat tussen partijen zich heeft ontwikkeld. De werknemer achtte de werkgever gehouden hem voldoende gespecificeerde loonafrekeningen te verstrekken. De werkgever heeft die verplichting als zodanig niet betwist, maar het standpunt ingenomen dat hij daaraan reeds naar behoren had voldaan. Waar de werknemer dit laatste heeft betwist, acht het OM het aangevochten oordeel in overeenstemming met de hoofdregel van art. 177 Rv (oud) respectievelijk art. 150 Rv (nieuw).

Verder lezen
Terug naar overzicht