HR 04-04-2003 (Ghisyawan/LAN-Alyst), RvdW 2003, 73, JOL 2003, 208, JAR 2003, 107


Boete. Concurrentiebeding. Uitzendarbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 107.

De werknemer die voor de werkgever, een intermediair, op detacheringsbasis automatiseringswerkzaamheden verricht, treedt in dienst bij een opdrachtgever. De werkgever spreekt daarop de werknemer aan op grond van de tussen de werkgever en de werknemer overeengekomen concurrentieen boetebedingen. In cassatie is aan de orde of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de werkzaamheden die de werknemer voor zijn nieuwe werkgever verricht onder het bereik van het concurrentiebeding vallen, of het concurrentiebeding op grond van art. 93 lid 1, onder a van de Arbeidsvoorzieningswet (Avw) nietig is, of sprake is van een onredelijk bezwarend beding, en of het vereiste dat het boetebeding de bestemming der boeten vermeldt al of niet van toepassing is op het concurrentiebeding. De Hoge Raad overweegt het volgende. Door te overwegen dat een redelijke uitleg van het concurrentiebeding meebrengt, gelet op hetgeen partijen over en weer van elkaar mochten verwachten, dat de werknemer moest begrijpen dat de werkzaamheden die hij voor zijn nieuwe werkgever verricht vallen onder het takenpakket van zijn oude werkgever heeft de rechtbank niet een onjuiste maatstaf gehanteerd. Het onderdeel dat klaagt dat de rechtbank, door in zijn vonnis te overwegen dat de onmiddellijke werking van de op 1 juli 1998 in werking getreden Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) meebrengt dat tussen partijen de wet geldt die van kracht is ten tijde van het inroepen van het concurrentiebeding, heeft miskend dat het concurrentiebeding dat onder de werking van art. 93 lid 1, onder a Avw met nietigheid werd getroffen, niet rechtsgeldig wordt na het vervallen van die wet, is in zoverre gegrond dat, zo moet worden aangenomen dat het concurrentiebeding onder de werking van de Avw nietig was, de onmiddellijke werking van de Waadi, waarin een concurrentiebeding niet met nietigheid is bedreigd, een door de vroegere wet voorziene nietigheid niet terzijde stelt. Het onderdeel kan evenwel niet tot cassatie leiden, omdat het eraan voorbijziet dat het in art. 93 lid 1, onder a Avw neergelegde verbod uitsluitend strekt ter bescherming van de ter beschikking gestelde arbeidskracht in zijn vrijheid van keuze van arbeid, en dat derhalve een concurrentiebeding dat in strijd is met deze bepaling, ingevolge art. 3:40 lid 2 BW niet nietig is, zoals het onderdeel tot uitgangspunt neemt, maar vernietigbaar. Uit de wetsgeschiedenis van de Waadi kan niet worden afgeleid dat een concurrentiebeding in het algemeen ontoelaatbaar is. Zoals in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is uiteengezet, moet de bescherming van de werknemer gezocht worden in het algemene overeenkomstenrecht op grond waarvan onredelijk bezwarende bedingen "vernietigd kunnen worden". Voorts wordt in die memorie opgemerkt dat een beding ter beperking van de vrije…

Terug naar overzicht