HR 05-04-2002 (ABN/Malhi), RvdW 2002, 67, JOL 2002, 216, JAR 2002, 100


Gezagsverhouding (ingeleende werknemer). Uitzendarbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 100.

De werknemer is op 31 januari 1990 in dienst getreden van een schoonmaakbedrijf en tewerkgesteld als schoonmaker in kantoren van een bank. In de loop van de jaren is zijn functie op verzoek van de bank gewijzigd: in 1990 chauffeur met als taak het uitleveren van pc's, later dat jaar ook het installeren van pc's op diverse kantoren van de bank in Nederland, in 1992 op de afdeling kantoormachines met als taak het beheren van het meldpunt en het verhelpen van kleine storingen. Met ingang van november 1993 is op voorstel van de bank aan de werknemer een salarisverhoging toegekend overeenkomstig de CAO voor het bankbedrijf, ten gevolge waarvan hij een salaris ontving op gelijk niveau met medewerkers van de bank die dezelfde werkzaamheden verrichtten (exclusief secundaire arbeidsvoorwaarden) en hoger dan de hoogste schaal van de CAO voor het schoonmaak- en glazenwasserbedrijf. Zolang hij bij de bank werkte, heeft de werknemer steeds wekelijks werkbriefjes bij het schoonmaakbedrijf ingeleverd en heeft dit hem loon betaald. Bij afwezigheid wegens vakantie en/of ziekte werd de werknemer niet vervangen door een werknemer van het schoonmaakbedrijf. In november 1994 heeft de bank het schoonmaakbedrijf en later ook de werknemer meegedeeld dat de werkzaamheden van de werknemer met ingang van 1 juli 1995 zouden vervallen. Met ingang van die datum heeft de werknemer zijn werk voor de bank moeten staken en heeft hij werkzaamheden als schoonmaker voor het schoonmaakbedrijf verricht. De werknemer heeft jegens de bank onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat er tussen hem en de bank een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. De Hoge Raad overweegt dat in deze zaak beslissend is of de bank en de werknemer zich jegens elkaar verbonden hebben. Het door de rechtbank toegepaste criterium - hoe hebben partijen feitelijk uitvoering en aldus inhoud gegeven aan hun arbeidsverhouding - is op zijn plaats in situaties waarin het gaat om de vraag hoe een - op zichzelf vaststaande - overeenkomst krachtens welke een van de partijen bij die overeenkomst werkzaamheden verricht voor de ander, moet worden gekwalificeerd. Het gaat in deze zaak echter niet om die vraag of de daarmee verwante vraag of, en zo ja vanaf wanneer, moet worden aangenomen dat een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen indien iemand zonder duidelijke afspraken daarover werkzaamheden voor een ander is gaan verrichten. Uitgangspunt is hier dat de werknemer met zijn werkzaamheden bij de bank is begonnen krachtens zijn arbeidsovereenkomst met het schoonmaakbedrijf en de door de rechtbank als inleenovereenkomst aangemerkte overeenkomst tussen het schoonmaakbedrijf en de bank met betrekking tot de werknemer. In een dergelijke situatie verzet de rechtszekerheid zich tegen een geruisloze vervanging van de tussen de werknemer en de bank bestaande verhouding van ingeleende werknemer tot inlener…

Terug naar overzicht