HR 07-06-2002 (Mr. X/Van Dommelen en Domaro), RvdW 2002, 98, JOL 2002, 326, NJ 2002, 394


Bewijs. CAO. Loon.

Een slager in dienst van een supermarkt vordert achterstallig loon omdat zijn loon lager is geweest dan in de van toepassing zijnde CAO is bepaald. De kantonrechter gelast comparitie van partijen, waarvan geen proces-verbaal wordt opgemaakt. De kantonrechter wijst de vordering af omdat is gebleken dat partijen hadden afgesproken dat het loon zou worden verhoogd zodra de resultaten van de slagerij dat zouden toelaten. De werknemer gaat in hoger beroep. In het tussenvonnis overweegt de rechtbank dat in geval van zeer bijzondere omstandigheden een op dwingend recht gebaseerde regeling niet behoeft te worden toegepast indien dit op grond van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechtbank laat de werkgever toe te bewijzen dat is afgesproken dat de werknemer tegen het wettelijk minimumloon zou gaan werken en dat het loon zou worden verhoogd zodra de resultaten dit toelieten. Omdat er geen proces-verbaal is van de comparitie wil de werkgever de kantonrechter doen horen als getuige. De kantonrechter verschijnt niet maar vordert dat de rechter-commissaris zal beschikken dat hij niet gehouden is te getuigen. De rechter-commissaris wijst de vordering af. De Hoge Raad stelt voorop dat op grond van art. 165 lid 1 Rv een ieder die daartoe op wettige wijze is opgeroepen, verplicht is getuigenis af te leggen. Het grote belang van waarheidsvinding impliceert dat slechts in bijzondere gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op de verplichting om als getuige een verklaring af te leggen. De situatie dat een rechter, voor wie een comparitie van partijen is gehouden en die daarvan, in strijd met art. 88 lid 3 Rv, geen proces-verbaal heeft laten opmaken, en die wordt opgeroepen om als getuige een verklaring af te leggen over hetgeen tijdens die comparitie is voorgevallen, is echter geen bijzonder geval. De eisen van een goede procesorde verzetten zich niet tegen het horen van een kantonrechter als getuige. De stelling dat de kantonrechter daarmee functioneel betrokken wordt in het geding, miskent dat van de kantonrechter als getuige niet méér zal worden verwacht dan dat hij verklaart omtrent hetgeen hij tijdens de comparitie heeft waargenomen respectievelijk omtrent hetgeen hij partijen heeft horen zeggen. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht