HR 09-05-2003 (El Hachioui/De Rederij), RvdW 2003, 91, JOL 2003, 272, JAR 2003, 146


Bedrijfsongeval.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 146.

In het ruim van het schip tijdens een reis van Bordeaux naar Teignmouth (Engeland) heeft zich een explosie voorgedaan. Daarbij is een schepeling, die aan boord als leerling-matroos werkzaam was en vlak voor de explosie tegen de instructies in dat ruim was binnengegaan, ernstig gewond geraakt. De schepeling heeft schadevergoeding gevorderd. De rederij heeft zich beroepen op eigen schuld van de schepeling. Het hof heeft de rederij in beginsel tegenover de schepeling aansprakelijk geacht voor de gevolgen van het ongeval, doch heeft geoordeeld dat de schepeling een zekere mate van eigen schuld heeft aan zijn schade, doordat hij in strijd met de instructies het ruim is binnengegaan. De schepeling komt van dit oordeel in cassatie. De Hoge Raad heeft onlangs in een geval waarin de reder van een schip werd aangesproken door de kapitein daarvan voor de schade die deze had geleden als gevolg van de fout van een opvarende, geoordeeld dat weliswaar art. 391 WvK meebrengt dat art. 7:658 BW geen toepassing vindt ten aanzien van de dienst van de kapitein aan boord van een schip, maar dat moet worden aanvaard dat art. 391 WvK, gelet op het stelsel van de wet ten aanzien van door een werknemer aan de werkgever of aan derden toegebrachte schade en op de ontstaansgeschiedenis van art. 391 WvK, niet eraan in de weg staat aan te nemen dat eventuele fouten van een kapitein die hebben bijgedragen tot het ontstaan van de schade waarvan hij op grond van onrechtmatige daad vergoeding vordert van de werkgever, slechts aan hem kunnen worden toegerekend indien deze schade in belangrijke mate het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid (HR 12-04-2002, Heijboer/De Branding, RvdW 2002, 70, JOL 2002, 225, JAR 2002, 102, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 34). Op dezelfde gronden moet worden aangenomen dat deze uitleg ook heeft te gelden ten aanzien van art. 450b WvK, dat in dezelfde bewoordingen als art. 391 WvK bepaalt dat art. 7:658 BW geen toepassing vindt ten aanzien van de dienst van de schepeling aan boord van een schip en dat dezelfde ontstaansgeschiedenis heeft. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het Hof Amsterdam.

Terug naar overzicht