HR 09-08-2002 (School/De Kuijer), RvdW 2002, 133, JOL 2002, 440, JAR 2002, 206


Gelijke behandeling. Onderwijs. Vakantie. Zwangerschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 206.

Een in het bijzonder basisonderwijs werkzame lerares heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de dagen van de schoolvakantie die met haar zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvallen niet als genoten vakantieverlof behoren te worden aangemerkt en dat zij het recht heeft die dagen alsnog op te nemen buiten de schoolvakanties. Aan haar vorderingen heeft de lerares primair ten grondslag gelegd dat ingevolge art. 7:636 jº 7:645 BW (oud) de dagen waarop zij zwangerschapsen bevallingsverlof heeft genoten niet zonder haar instemming door haar werkgever mogen worden aangemerkt als vakantieverlof. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de werkgever, door het ontbreken van compensatie, in haar arbeidsvoorwaarden een door art. 7:646 BW (oud) verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt. Het ontbreken van compensatie raakt alleen vrouwelijke, geen mannelijke leerkrachten. De werkgever heeft met betrekking tot de primaire grondslag van de vordering als verweer aangevoerd dat art. I-C2 Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO) niet inhoudt dat aan de lerares een bepaald aantal vakantieverlofdagen per jaar toekomt. Nu over vakantieverlofdagen tussen partijen niets is overeengekomen, wordt het aantal vakantieverlofdagen waarop de lerares aanspraak heeft bepaald, aldus de werkgever, door het wettelijk minimum van art. 7:634 BW. De 12 weken schoolvakantie bieden, ook na aftrek van de zes weken waarin het zwangerschapsen bevallingsverlof samenviel met een schoolvakantie, voldoende ruimte voor de lerares om de vier weken vakantieverlof op te nemen waarop art. 7:634 BW haar recht geeft. Met betrekking tot de subsidiaire grondslag van de vordering heeft de werkgever betwist dat er sprake is van een verboden onderscheid. De rechtbank heeft in hoger beroep de vorderingen toewijsbaar geoordeeld op de primaire grondslag en ten overvloede geoordeeld dat de vorderingen ook op de subsidiaire grondslag toewijsbaar zijn. Hiertegen keert zich het middel. De Hoge Raad stelt voorop dat Titel II, afdeling 1, Wet op het primair onderwijs (WPO) regels stelt voor het openbaar basisonderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder basisonderwijs. De rechtspositie van leraren in het openbaar basisonderwijs wordt rechtstreeks beheerst door het RpbO. Voor het bijzonder basisonderwijs is het bevoegd gezag een rechtspersoon als bedoeld in art. 55 WPO. In dit geval is dat de Stichting. De rechtspositie van leraren in het bijzonder basisonderwijs wordt niet rechtstreeks, maar indirect beheerst door het RpbO. Ingevolge art. 59 WPO moet de akte van benoeming van een leraar in het bijzonder basisonderwijs tenminste bepalingen bevatten van gelijke inhoud als vastgesteld in het RpbO. Aldus wordt gewaarborgd dat de rechtspositie van leraren in het bijzonder basisonderwijs niet minder is dan die van leraren in het openbaar basisonderwijs. Nu een leraar…

Terug naar overzicht