HR 10-01-2003 (Ziekenhuis/Te Riet), RvdW 2003, 12, JAR 2003, 38


CAO. Overgang onderneming.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 38.

Op de arbeidsovereenkomst van een werknemer is de Hoogovens-CAO van toepassing. Het bedrijfsonderdeel waar de werknemer werkzaam is, wordt overgedragen – zoals bedoeld in art. 7:662 BW – aan een ziekenhuis, dat partij is bij de CAO voor het Ziekenhuiswezen. Deze CAO schrijft voor dat op alle arbeidsovereenkomsten deze CAO van toepassing wordt verklaard. De werknemer is niet aangesloten bij een partij bij de CAO voor het Ziekenhuiswezen en heeft niet ingestemd met toepassing van deze CAO op zijn arbeidsovereenkomst met het ziekenhuis. Het ziekenhuis heeft de CAO voor het Ziekenhuiswezen op de arbeidsovereenkomst toegepast; deze CAO is na enige tijd algemeen verbindend verklaard. De werknemer heeft nakoming van de Hoogovens-CAO gevorderd aangezien die CAO voor hem aanzienlijk voordeliger is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de CAO voor het Ziekenhuiswezen niet op de arbeidsovereenkomst van de werknemer van toepassing is geworden, doch dat gedurende de periode van algemeenverbindendverklaring de desbetreffende bepalingen van die CAO van toepassing zijn; de toepasselijke bepalingen uit de Hoogovens-CAO worden voor de duur van de algemeenverbindendverklaring opzijgezet. Na het verstrijken van de duur van de algemeenverbindendverklaring herleeft de voordien bestaande inhoud van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en het ziekenhuis, inclusief de van deze overeenkomst deeluitmakende bepalingen uit de Hoogovens-CAO. Aldus de rechtbank. Hiertegen keert zich het middel. De Hoge Raad overweegt dat art. 14a Wet CAO, tezamen met art. 2a Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet AVV), strekt ter implementatie van, voorzover thans van belang, het bepaalde in art. 3 lid 2 van Richtlijn 77/187/EEG betreffende de overgang van ondernemingen (in Richtlijn 98/50/EG vernummerd tot lid 3 en ongewijzigd opgenomen in Richtlijn 2001/23/EG). Lid 1 van art. 14a bepaalt dat door de overgang van een onderneming als bedoeld in art. 7:662 BW de rechten en verplichtingen welke op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming ten aanzien van daar werkzame werknemers voortvloeien uit bepalingen omtrent arbeidsvoorwaarden van een collectieve arbeidsovereenkomst waaraan hij gebonden is, van rechtswege overgaan op de verkrijger van de onderneming. Lid 2 bepaalt vervolgens naar de letter genomen dat de bedoelde rechten en verplichtingen eindigen op het tijdstip waarop zich een van de vervolgens omschreven gevallen voordoet. Uit de wetsgeschiedenis en het verband met de Richtlijn moet evenwel worden afgeleid dat hiermee bedoeld wordt dat de in lid 1 neergelegde verplichting om de betreffende arbeidsvoorwaarden, zoals art. 3 lid 2 van de Richtlijn het uitdrukt, te handhaven eindigt, en dat de vraag of daarmee ook de in lid 1 bedoelde rechten en…

Terug naar overzicht